DE HUID VAN ORPHEUS

jean-marais-orphee-cocteau

“And if my thought-dreams could be seen
They’d probably put my head in a guillotine
But it’s alright, Ma, it’s life, and life only.”
Bob Dylan

De buitengewone ervaringen escaleren. Op mijn zintuigen kan ik niet langer rekenen. Toch weiger ik elke mystificerende interpretatie: niet de religie zal me klein krijgen.
In welke stad dool ik rond? Het jachtseizoen is geopend. Ik loop tussen flatgebouwen, tussen paardenkastanjes, ben opgejaagd wild. De schaduwen groeien, de zon wordt zeer klein. Alleen lichamen zie ik, ongedifferentieerde, hoofdloze lichamen. Uit gaten in gebouwen schieten handen tevoorschijn. Ook de lichamen hangen hun handen om mij. Andere handen omklemmen revolvers, de loop op mijn voorhoofd gericht. Ronde, zwarte gaten: ingangen van solide, stalen corridors. In een van de gangen zie ik mijn spiegelbeeld rennen. Ik bevind me in een gang in een gebouw waar ik een grote hoeveelheid projectieschermen zie hangen. Er wordt niets op geprojecteerd. Ook hier lopen lichamen op en af, moeiteloos, zonder voeten en zonder een uitgesproken gezicht. Maar wat nu? Wat moet ik nu denken? Nu ik sommige steriele lichamen herken: vrienden van vroeger, kennissen, familie. Ik vraag hen of zij me ook zien, of zij me ook herkennen. Nee. Ze reageren niet eens. Niet één van de sterielen geeft een antwoord. Ze lachen ook niet. Nee, helemaal niets.

Een wirwar van kamers. Allemaal te sterk verlicht. Ik krijg er pijn van aan de ogen. Waar is mijn zonnebril? Toch ga ik ergens binnen. Hier zitten sommigen op stoelen. Alweer sterielen, die niet bewegen. De anderen, die niet op stoelen zitten, lopen in kringetjes. Ze zijn zo overdreven onrustig dat ik er zelf onrustig van word. Hun insectachtige silhouetten kruipen over de vaalgroene wanden. Het mechanische van hun stappen. De manier waarop zij elk obstakel vermijden. Een beetje zoals slakken dat doen. Waarom zien ze me niet? Ik krijg het koud, voel me koortsig. Ik word duizelig. Ik roep het uit: dat toch iemand me ziet, dat toch iemand me ziet.

Een brede boulevard in de middagzon. Bomen met zilvergrijze bladeren. Geen blad dat trilt. De rijstroken zijn leeg, geen auto’s, geen verkeer. Ik zit op de trappen voor het portaal van een kathedraal. Duizenden voetgangers glijden voorbij. Nu verbaast het me niet meer dat ze me niet opmerken: ik heb niet één voorbijganger gezien die geen kogelhoofd had. Voor het portaal van de kathedraal van de stad der kogelhoofdigen kom ik weer tot bewustzijn.
Ik ben me ten volle bewust van mijn bestaan. Er zijn tranen in mijn ogen. Waarom werd ik de voorbije nacht nog een keer in de huid van Orpheus genaaid? Ik neem een slok water en zet mijn geheugen van me af.

Foto: Jean Marais in Orphée van Jean Cocteau

DE TOEKOMST VAN EEN ILLUSIE

dagdroom,freud,psychoanalyse,film,pasolini

“… iedereen mag dus voortaan iedere vrouw die hem bevalt als seksueel object kiezen, mag zijn rivaal bij vrouwen, of wie hem verder in de weg staat, zonder aarzelen doodslaan…”
Freud, De toekomst van een illusie.

In het kielzog van de tijd. De dauw druppelt van de daken. Kijk! Een culturele missie achtervolt een herdershond door de steegjes van de antieke kuststad, waar Pier Paolo Pasolini nog heeft gefilmd.
Dit is het geschikte weer voor een wereldramp. Deze morgen reeds werden er kleine schokgolven opgemerkt in de hoerenbuurt. In de rode burcht echter worden vlaggen en wimpels opgegeten. Met sardienenblikjes betalen ze de gedurende jaren hoog opgelopen schuld terug aan hun schuldeisers.
Vredesmanifestanten vechten voor een plaats op de veerboot over de Lethe. Maar de andere oever is onbereikbaar. Er is teveel modder aangeslibd. De baggeraars vergaten hun handen. Of neen… Ze vergaten hoe ze die moeten gebruiken. Het is een belachelijk schouwspel. Hoe ze bijvoorbeeld proberen om met hun handen zeemansliedjes te zingen.
De misthoorn heeft iets diep melancholisch, vooral in de herfst. Geen mens vraagt zich af hoe dat zo komt. Deze bedenking dreigt de betovering te verbreken. Er is geen houvast. Je moet wel in leugens geloven, in illusies, in toverkunst. En je om niets bekommeren.

 

ALS ER TOEKOMST WAS ZOU ZIJ JE UITLACHEN

treinreis 2

Je zit wat ziek en enigszins levensmoe aan een tafel in de stationsrestauratie in M. In die hoop donkere stenen vraag je je af hoe je weer gezond kunt worden. Wat maakt je ziek en levensmoe? Waar ben je naar op zoek? Een andere stad? Een ander leven? Misschien wel. Is het niet je diepste wens dat alles anders wordt? Dat je terechtkomt in een plaats waar geen wanhoop is, geen ademnood, drank in zeer kleine hoeveelheden, geen drugs, geen geneesmiddelen, geen woede, geen ruzie. Nee, het gaat niet goed met je. Zeg maar: het gaat slecht. Je zou je gebrek door rijke gedachten moeten kunnen verjagen. Maar meteen sleuren ze je mee naar kamers zonder uitzicht. Soms denk je, ik ben de erfgenaam van Edgar Allan Poe, een man zonder vaderland, in zekere zin een Amerikaan, maar dan alleen maar van de geest. Amerika: je kent het land beter dan het hart van je geliefde. Maar wat maakt het uit. De tijd is een zakkenroller. Ook hier temidden van die donkere stenen, waar niets een diepe gedachte of een intens verlangen belichaamt. Je kon net zo goed als Poe op het einde in de goot liggen. Je laten gaan in een verlammend verlangen naar je noodlot. Maar je laat je nog niet gaan. Daar waar de grens begint blijf je staan, als voor een lange, donkere tunnel. Is het nog wel een plaats, een ruimte, daar waar je staan blijft? Je zou het niet kunnen zeggen, bij gebrek aan een moedertaal, een vaderland. Vader? Zijn beeld doemt op, de boerenzoon, de schipper, het natuurlijke kind. Een onontwarbaar kluwen van liefde en haat. Het beeld van je vader wordt verdrongen door herinneringen aan een film, In Cold Blood, beelden van zonen, van moordenaars.

Ook al zou je fris en monter zijn, zou je er nog keelpijn krijgen en grijze vlekken op je huid. Het is zo’n station waar bepaalde mensen – degenen die weinig weerstand bieden – onherroepelijk ziek in worden. Er hangt inderdaad iets ziekmakends in de lucht in die koude, kille ruimtes. De meeste mensen daarentegen passeren er twee keer per dag en merken er niets van. Sterke en onverschillige mensen, onderweg van de ene vergetelheid naar de andere. Jij bent echter een buitenstaander, iemand die nog net niet in de goot ligt, de sterren en de maan weerspiegeld in een plas regenwater.

Een poos kleurenblind zijn zou er niet slecht zijn. De restauratie zou het decor van een film noir worden. Opeens is het een magische plek. Je ziet het meteen gebeuren. Voor de deur stoppen een paar witte, bootachtige wagens; mannen met borsalino’s op het hoofd en anjers in de knoopsgaten stappen uit, vrouwen met diepe decolletés onder de pels. James Cagney’s gevaarlijke grijns, Gloria Grahames misprijzende koortsblik, een mengeling van afkeer en wurgende seks. Maar zij in dat station? Of in een hotelkamer in het vermolmde hotel aan de overkant van de straat? De gangstergodin wachtend op haar vriend, de moordenaar Jim? Nee, jongen, dat kan niet. Je bent niet eens kleurenblind. Dit is doodgewoon de restauratie van het station van het provinciestadje M.

Ken jij een stationsrestauratie, een zogeheten buffet, waar de tijd voortsnelt als een Eurostar? Waar de diensters glimlachen als net verkozen schuimwijnprinsessen? Neen, dat is ondenkbaar. Je hebt er nochtans al veel versleten in België. Je kent het klappen van de zweep. Je kent de kneepjes van het vak. Illusies zijn een prettig tijdverdrijf. Maar desondanks besteelt de tijd je waar je bij zit. Als er toekomst was, zou zij je uitlachen.

Foto: Martin Pulaski

 

IN MEMORIAM JAMES BROWN

in memory of james brown

Het was zo al een somber jaar voor de populaire muziek. Anti-helden Syd Barrett en Arthur Lee en de legendarische stichter van het Atlantic label, Ahmet Ertegun, waren eerder al van ons weggerukt. Nu net voor de finale van dit ellendige jaar – ook op persoonlijk vlak – komt pietje de dood James Brown nog gauw aan ons ontfutselen.

Wat kan ik zeggen? Waar zijn die verdomde woorden nu? Het is de dag na kerstmis en ik draai al sinds vanochtend James Brown blues en rhythm & blues en funk en al de rest: muziek zoals niemand anders er heeft gemaakt. Een ononderbroken funky groove, soms traag en zwoel, soms gereduceerd tot een vlijmscherp naakt ritme, altijd onweerstaanbaar, gaande van Bewildered en I Don’t Mind in de jaren vijftig via Prisoner Of Love, (Do The) Mashed Potatoes, It’s A Man’s World, Papa’s Got A Brand New Bag, Cold Sweat en I Can’t Stand Myself (When You Touch Me) in de jaren zestig tot Get Up (I Feel Like Being A) Sex Machine PTS. 1 & 2, King Heroin, Get On The Good Foot en It’s Too Funky In Here in de jaren zeventig. Wat ben ik ook verslingerd aan zijn songtitels, en vooral aan die met een paar woorden tussen haakjes.

Zijn recentere opnames heb ik niet meer zo gevolgd. Zijn geestelijke erfgenamen Bruce Springsteen, Michael Jackson, Prince en Beck hebben de aandacht van de godfather wat afgeleid. Er waren tevens een aantal duistere zaken, wilde autoachtervolgingen in de stijl van The French Connection PT. 1, gevangenisstraffen, schandalen. Dingen waar ik niet nader op inga. Ik deed dat vroeger niet, nu zeker niet. Ik verwijs er hier alleen maar terloops naar om mijn afzwakkende interesse enigszins te verklaren. Dat de nadruk bij popmuziek zo sterk op het schandaal wordt gelegd, vind ik uiterst vermoeiend en vooral onterecht.
Ondanks die schandaalsfeer had Brown alleszins een sterke educatieve en morele ingesteldheid, denk maar aan zijn songs Don’t Be A Dropout, waarin hij de jongeren aanspoort om een diploma te halen, en Say It Loud-I’m Black And I’m Proud, een trots en welluidend manifest van en voor de Afro-Amerikaan.
De soulzanger was voor ons allen geïncarneerd ritme, ook in voor Brown – of voor onszelf – slechte tijden. En dat zal hij blijven, tot de laatste dag. James Browns grooves zijn de heerlijkste die ik ken. Al zijn nummers zetten mij tot dansen aan, zelfs nu nog, op toch al wat gevorderde leeftijd. In de Antwerpse Cinderella’s Ballroom behoorde hij tot de grote favorieten van de dansvloer. Cold Sweat, baby!

James Brown was niet de grondlegger van de soul en van de country soul; dat was Ray Charles, maar zijn funk zorgde net zo goed voor een revolutie in de populaire muziek. Moge de Funky President in vrede rusten.

Foto: James Brown In Memoriam.

A CHRISTMAS GIFT FOR YOU

kerstmis,kater,phil spector,rudolf,geluk,muziek,popcultuur,pop

We zaten zopas aan het ontbijt, nog wat stilletjes. De alcohol van gisteravond was nog niet geheel verteerd. De Panadol had niet het gewenste effect. De Motilium evenmin. Ondanks vlagen van misselijkheid dachten we met plezier terug aan de voorbije avond en nacht en dronken we koppen sterke koffie. De luidsprekers dompelden de keuken onder in de hemelse muziek van Phil Spectors A Christmas Gift For You. Frosty The Snowman van the Ronettes, Santa Claus Is Coming To Town van the Crystals, Rudolph The Red-Nosed Reindeer van die zelfde Crystals en Christmas (Baby Please Come Home) van Darlene Love. Stuk voor stuk parels van een wonderlijk gelukssnoer. Phil Spector, die geniale gek – of is hij een waanzinnig genie? Elk jaar rond deze tijd zoek ik zijn uniek geschenk weer op.
Nu kijk ik even door het raam en droom van een witte kerstmis. Rudolf laat zich niet zien in onze straat. Ik zie geen enkele voorbijganger met een blos op de wangen. De lucht is grijs en vuil. Laat het een kinderlijke droom blijven: een witte kerst en het geklingel van de belletjes van de slee. Straks worden we weer volwassen en drinken we nog een vodka met veel ijs. We blijven binnenshuis en creëren ons eigen kortstondig geluk. We vluchten weg in een roes die nog geen naam heeft. Hoe zou het met Phil Spector gaan?

DE MAN OP DE STOEL

lucian freud

Voor Thomas Bernhard.

Wat er ook moge gebeuren… Het maakt niet uit… Wat ik ook doe, het loopt altijd verkeerd af, ontspoort, loopt de spuigaten uit, de riool in, door de beek, naar de rivier, naar de zee. De open zee.
Daarom wacht ik af. Zit ik stil. Gewoon op mijn stoel. En kijk naar de muur. Werp een blik op de affiche. Hoe vaak heb ik die al niet bekeken… Maar wat staat er dan toch op afgebeeld? Ik zou het niet weten. Mijn ogen zien de dingen nog wel, maar ik zie ze niet. Ik denk alleen maar. Ik denk vooral uit schrik. Want ben ik er anders nog wel? Ja, almaar meer beperkt mijn doen zich tot dat ene: denken. Iets anders lijkt er niet te zijn. Of zei je van wel?

Meer dan eens denk ik: wat voel ik nu toch? En ja hoor, dan voel ik pijn. Het voelen neemt de overhand, het denken delft het onderspit. Het denken wordt naar de laagste regionen verbannen. De diepste lagen van het ondermaanse. Neen, dat is geen pretje. Denken is veel aangenamer dan voelen. Ik wil – want ik mag de wil niet uit het oog verliezen – niet langer voelen. Want voelen betekent bijna altijd pijn. Onbehagen. Weerzin. U begrijpt me wel. Neen, dat is geen pretje. Ik wil een lichaam worden zonder pijn. Een engel of iets dergelijks. Laat die vleugels maar weg. Een engel zonder vleugels volstaat. Een hoofd hoeft ook niet echt. Een torso is voldoende. Een beeld van een engel.
Maar vergis u niet: ik verander niet. Ik houd stand. Ik houd vast aan het leven. Het lijkt bijna alsof ik kranig ben. Ja, ik heb zelfs de indruk dat ik nogal moedig ben. Maar ik neem aan dat de mensen die me voorbijlopen op straat of in de Delhaize daar anders over denken. Die vinden vast dat ik niet moedig ben. Met mijn gebogen rug. Met mijn neerwaartse blik. Die geloven dat ik zwak ben. Dat ik geen ruggengraat heb. Was dat maar waar. Dat laatste. Een ruggengraat is nergens goed voor.

Dit lijkt wel Thomas Bernhard, zegt u. Maar dit is geen Thomas Bernhard. Gaat Thomas Bernhard naar de Delhaize? Thomas Berhard moet niet eens de straat op. Zie je hem niet aan zijn schrijftafel zitten? Daar in Oostenrijk in de sneeuw? Ja, een Oostenrijker, of wat dacht u misschien? Zoals Adolf Hitler en Egon Schiele. Hij heeft talrijke publicaties op zijn palmares staan. Es, ja. Vat de koe maar bij de horens. De analyse van een psychische ontbinding. Thomas Bernhard is een beklagenswaardig man. En dat niet alleen omdat hij mensen aan de andere oever van het meer met elkaar kan horen praten. Neen, neen. Dat niet alleen. Hij is helemaal niet aardig. Hij is beklagenswaardig. Waarom? Omdat hij zo veel klaagt. Ik heb al velen bezig gehoord, maar Thomas Bernhard slaat alles.

In den beginne hield ik van deze bittere man. Ik hield van zijn logica. Van zijn klagende, zeurende personages, waarin ik bijwijlen iets van mezelf herkende. Van zijn haat jegens het vaderland hield ik. Maar wordt het nu niet van het goede teveel? Op tijd en stond wil een mens ook eens hartelijk lachen. Beslist. Denken, voelen, willen, lachen. Niet altijd in het donker rondtasten. Niet altijd grijnzen aan de rand van de pikzwarte komedie. Soms wil een mens wel eens weg uit dat limbo.

De witte sfinks zal de zwarte sfinks omhelzen. Lachen en brullen dat het leven een hel is. “Het leven is een hel!” “Volstaat het niet er op een laag pitje in te hebben gesudderd?” “Met kerstmis, bijvoorbeeld.”

Maar denk nu niet dat de zee er stil bij ligt. De zee is altijd in beweging. Zo onafgebroken beweegt zij, kabbelt zij, deint zij, wiegt zij, reilt zij en zeilt zij en golft zij wijnrood of schuimt zij wit en stormt zij woedend over het strand en wast zij de ziel van de romanticus en van de Oude Griek vrij van schuld, dat je haar bewegen haast voor eeuwige rust zou aanzien. Maar jij laat je niet beetnemen door maritieme zinsbegoochelingen. Op je stoel van goud en donker schaduwspel. Zie nu de dwaze figuurtjes die dansen in het zwarte gat van Francis Bacon. Neen, lieve vriendin, ik weet het, dat je niet van zijn werk houdt. Maar hij is het. Ik kan er niets aan doen. Ik herken hem nu. Ik zie opeens wat beter.

Zo, dat hebben we dan weer gehad. Daar zat je naar te zoeken. Niets interessanters te doen, dan? Neen, niet echt. Ik ben nog steeds niet verbitterd. Cynisch? God vergeve me. Ik wil liever glimlachen. En later, als het weer zomer is, in het koren zitten wachten tot de zon ondergaat en daar als dan mijn vijand opdaagt hem wat schrik aanjagen met mijn zwarte gaten. Hem alleen maar wat doen huiveren. Neen, een slachtpartij wordt het niet. Dit is een Vlaams verhaal, ook al wil ik me al heel mijn leven aan dit anemisch bloed en deze verdomde bodem ontrukken.

Foto: Lucian Freud – Red Haired Man on a Chair

GEZAMENLIJKE STRIJD

colours fly away

Wij zaten beiden bovenop de ronde tafel. Je luisterde naar m’n verhaal en vertelde me over weinig fraaie dingen die sommige mensen – die ik zelf ook bleek te kennen – je hadden aangedaan. Dat je zo openhartig met me was ontroerde me en gaf me nog meer moed om mezelf bloot te geven. Maar dan kwamen mijn ouders de kamer binnen. Ze gingen aan een kleine tafel naast de onze tegenover elkaar zitten en begonnen een gesprek. Het leek alsof ze deden alsof wij er niet waren, maar ik kon me tegelijk niet van de indruk ontdoen dat ze wilden horen wat ik je allemaal toevertrouwde. Jij besefte wat er in me omging: ik zag de woede zich van je meester maken. Ook voor jou waren mijn ouders indringers, ja, misschien nog wel meer voor jou dan voor mij. Je stond op – pas nu viel het me op dat je niet langer samen met mij op de tafel zat, maar heel gewoon op een stoel – stapte op m’n ouders toe en riep zonder enige twijfel in je stem: “buiten!” Daarbij maakte je een volstrekt duidelijk gebaar in de richting van de deur. Op dat moment bewonderde ik je, neen, bewondering is een te zwak woord, ik had het gevoel dat je deel van me werd, dat we ons verenigden in een gezamenlijke strijd tegen de vijand.

Foto: Martin Pulaski, Funchal.