JAMAICAANSE RUM, DRUMMERS EN DROMEN

i walked with 3

Voor Agata

Ik liep door donkere suikerrietvelden in de richting van een plek waar mij onbekende mensen muziek speelden. Op het eiland had iedereen die ik de voorbije dagen had ontmoet geheimzinnig gedaan over wie deze muzikanten waren en wat zij met hun muziek beoogden. Ik hoorde het monotone, bijna hypnotiserende gedreun van steel drums, met daarachter, tussen, onder en boven, het geluid van allerlei andere percussie-instrumenten, die waarschijnlijk in geen enkele muziekencyclopedie zijn terug te vinden.

Ik kon niet omkijken om te zien of Jackie me volgde. Een kerel in het hotel, iemand die het eiland kende, had ons gewaarschuwd voor diepe waterputten, verborgen onder het struikgewas in de suikerrietvelden. Je moest bij elke stap die je deed goed uitkijken, zelfs bij volle maan, zoals nu. Ja, de maan scheen heerlijk, als in een gelukzalige droom, en nooit had ik zoveel sterren zo nabij gezien. Maar hoe kwam het toch dat ik Jackie’s voetstappen niet kon horen? Had zij, onoplettend, een ander pad genomen en bevond zij zich nu al tussen de muzikanten en dansers? Wellicht had zij zich onder hen gemengd en lachte, sprong en danste zij nu samen met hen als bezeten door Orpheus. Wij hadden inderdaad nogal wat van die Jamaïcaanse rum naar binnen. Eigenlijk kon ze nu om het even waar zijn. Ik kon alleen maar flink doorstappen en goed uitkijken dat ik niet in zo’n waterput viel.

Na een tijd, ik weet niet meer of het minuten of uren waren, viel ik in slaap en begon meteen te dromen. Ik lag op een veld van groen er purper gras. Niet ver van me vandaan zag ik Jackie wegrennen van me, in zuidelijke richting. Ik probeerde haar naam te roepen, maar mijn stem maakte geen geluid. ‘Jacqueline!’, riep ik zo luid als ik kon, waarbij ik bijna verstikte, maar mijn inspanningen waren tevergeefs. Ze verwijderde zich van me, in haar purperen en groene jurk. De zon kleurde haar haar rood, zoals dat van David Bowie in The Man Who Fell To Earth. Ik hoorde de wind fluisteren in de zwarte eiken achter me. ‘Jackie’, ‘Jackie’ fluisterden ze, met een snik in hun stem. Ik voelde me zelf een zwarte eik met een snik in mijn stem. Spoedig zou de zon ondergaan en ik lag alleen op het vochtige gras.

IK NEEM MIJN HOED AF VOOR TOM BARMAN

tom barman,muziek,engagement,verantwoordelijkheid,0110,voor tolerantie,zelfportret,pop,popcultuur,no more loud music,foto,martin pulaski

Vanmorgen hoorde ik – die nooit naar de radio luister! – toevallig een gesprek met Tom Barman. Over Barman heb ik hier al geschreven, meer bepaald op 2 augustus 2005 (de boekhouder in mij steekt de kop op), naar aanleiding van een aflevering van Zomergasten: Tom in gesprek met de sympathieke gastvrouw Connie Palmen. Ik schreef toen ondermeer dit: “En dan was er Tom. Na vijf minuten al was ik in mijn fantasie zijn beste vriend. Wat een innemende man! Zo eerlijk en emotioneel en vol respect voor oude mensen.”

Een zelfde gevoel kreeg ik nu weer, in de keuken, toen hij het over zijn vader en zijn moeder had. Over Moravia’s De onverschilligen, een boek dat ik nog steeds niet heb gelezen. Dat moet ik binnenkort toch eens doen. Over zijn liefde voor film (wat niet zo ongewoon is voor een filmregisseur). Over John Casavetes, die die liefde heeft aangewakkerd. Je kunt weinig betere leermeesters hebben, zeker niet als je de emotionele kant van de mens niet uit de weg wilt gaan. Barman had het ook over een zeer kortstondige verliefdheid tijdens een treinreis, waar natuurlijk niets uit voortvloeide. Het is iets wat we allemaal wel eens meemaken, verliefd worden op een meisje of jongen, of man of vrouw, in de metro, tram, trein, of bus. Voor het gevoel van leegte dat op dat moment van verliefdheid volgde vond Tom Barman troost in muziek. Muziek is niet alleen het voedsel van de liefde maar ook de klank van de troost.

Sinds kort is mijn bewondering voor Tom Barman nog veel groter geworden. (Ik ben even mijn hoed gaan opzetten om hem te kunnen afzetten. Een mooi symbolisch gebaar, dat ik van Marnix Gijsen heb geleerd). Wat op 1 oktober zal gebeuren en waar Barman zich zo voor heeft ingezet is iets nieuws in de Belgische geschiedenis, en zeker in de geschiedenis van het Belgische entertainment, waar elke entertainer een wolf is voor elke andere entertainer en waar het doel van entertainen erin bestaat het publiek te helpen wegvluchten naar artificiële paradijzen. In welk land is dat overigens niet het geval? Tom Barman en de honderden zangers, zangeressen, muzikanten en technici willen echter duidelijk maken dat wij allen verantwoordelijk zijn voor de maatschappij waar we in leven. Het gaat hier zeker niet om een egotrip, of om naïef idealisme, maar om een voorbeeldig maatschappelijk engagement.

De lezer van deze stukjes van mij zal onderhand wel weten dat ik een soort van melancholische anarchist ben, met sterk escapistische inslag. Een ontgoochelde en verbitterde, enigszins wereldvreemde ‘rebel’. In die verbittering mag ik niet berusten. Het volstaat niet dat ik rechtse extremisten, nationalisten, crapuleuze straatvechters, Vlaams Blok-politici (meestal met een dubieus verleden, en met een stralende stalinistische toekomst voor ogen, goelag voor wie niet past in het blauwe uniform inbegrepen), soms in vitriool dompel. Woorden schieten altijd tekort. Het woord ‘schieten’ staat hier nu. Ik wil niet zeggen dat we met z’n allen maar moeten gaan schieten op elkaar, omdat woorden tekort schieten. Neen, eerder het tegendeel van schieten. Wat we moeten doen is nadenken, spreken, liefhebben, begrijpen, streven naar het geluk van elke gemeenschap en elk individu. Dat kan alleen maar door de daad bij het woord te voegen. Dat is wat zoveel muzikanten en entertainers volgende zondag zullen doen. De bruine horde mag geen tweede kans krijgen. Niet in de Vlaamse gemeenten, niet in de Waalse, niet in Brussel en niet in die van de Oost-kantons. Nergens. Elke denkende mens is daarvan overtuigd. Het komt er nu op aan dit nu ook te zeggen en te doen. Bovendien vind ik dat de staat geen geld mag schenken aan een partij die de staat wil vernietigen.

Tot slot wil ik nu al Tom Barman bedanken voor wat volgende zondag zal gebeuren. No more loud music!

KLEINE BELGISCHE KUNSTGESCHIEDENIS

andre delvaux,gedicht,t serclaes,breughel,marvin gaye,john singer sargent,relativering,nationalisme,erfgoed,tijd,invloed

Een oude koewachter aanschouwde
In Brussel van Icarus de val.
Kuste daarna de arm van ’t Serclaes
En bewonderde de blote vrouwen
In het vervallen station.

Bij zijn geuzen slurpte hij aan een mossel
Dan was het weer de vlieger in
Terug naar zijn graanschuur
Diep in het zand van Arkansas.

Een zekere Russel, in zijn vrije tijd bokser,
Strandde aan de Belgische kust.
Is dit Oostende, vroeg hij, waar Marvin Gaye
Van seks en drugs genas
En al die spirituele boeken las?

In de vierde strofe stond een gigant op
Die – conceptueel – varkens kon maken
Met blauwe paardenstaarten. Schilderen
Deed hij in de stijl van John Singer Sargent:
Aan palmbomen slingerden
Rokende dames in witte gewaden.

 

(Waarmee nogmaals bewezen wordt dat nationale kunstgeschiedenis niet bestaat, en nationaal erfgoed onzin is. Alles loopt in elkaar over. Iedereen beïnvloedt elkaar, rechtstreeks en onrechtstreeks. Kunst heft de tijd op. Maakt van iedereen tijdgenoten.)

WHO KNOWS WHERE THE TIME GOES?

neerharen2

Sinds de vorige notitie is er een hele afstand gelopen door heel wat lange afstand-lopers. Ik van mijn kant ben traag geweest. Maar is een schildpad traag? The hands on the clock keep turning time, hoor ik nu net Sandy Denny zingen. Niets is toevallig, denk ik soms. Sandy Denny is jaren geleden dronken van een trap gevallen, teveel flessen gekocht in het nachtwinkeltje om de hoek. Ze liet een dochter van een jaar ongeveer achter. Sandy Denny heeft een door geen enkele populaire zangeres geëvenaarde stem. Ze wordt bij de folkzangeressen onderverdeeld, maar ze overstijgt alle genres. Luister eens naar Who Knows Where The Times Goes…

De ondraaglijke traagheid van het bestaan als iedereen zegt: sneller, sneller, sneller! RAP. Help! Ik kan niet meer volgen. Nochtans bewonder ik sommige mensen vanwege hun werklust, hun energie en hun inzet. Ze lijken zeven dagen te werken en nul uur niets te doen. Ik denk dat ik op een hele ‘werkdag’ ongeveer 3 uur niets doe, tenzij: 1° tijd verliezen; 2° afzien van de tijd. Er zijn zelfs dagen dat ik helemaal niets doe. (Trouwens, mijn winterslaap is in het verschiet.)
Wat zou alles eenvoudiger en lichter zijn als tijd niet zou bestaan. We zouden er kunnen van uitgaan dat hij inderdaad niet bestaat, dat alleen dag en nacht en de seizoenen bestaan. We zouden kringlopen kunnen aanvaarden, en de eeuwige terugkeer. Een troostende gedachte.

Deze overwegingen doen me denken aan Haruki Murakami, die op zijn veertigste (in 1989) plots een enorme schrik kreeg. De beste jaren van zijn leven waren voorbij, de meest productieve, dacht hij, hij zou zich enorm moeten haasten om nog iets duurzaams tot stand te brengen.
Op mijn veertigste dacht ik daar helemaal niet aan. Ik voelde mij nog een jonge man en genoot van het leven. Ik had wel een aan het pathologische grenzende angst voor de dood, maar dat ging slechts om momenten die ik heel snel weer vergat. Ik besefte niet dat ik mijn kostbare tijd verspilde met oppervlakkigheden. Ik besefte niet echt hoe kort het leven is. Inmiddels zijn we zestien jaar later en besef ik het wel. En toch wil ik nog af en toe het surrealistische spelletje spelen dat tijd niet bestaat. Maar ik doe niets liever dan werken. Ik wil niets anders meer dan werken als een homo ludens.

PULASKI NEEMT EEN INITIATIEF

Kom toch eens naar Brussel! Lieflijke stad aan de Zenne! Elke dag wordt het hier gezelliger. Een keer per jaar rijden er zelfs geen auto’s. En in de zomer is het altijd kermis. De hele maand augustus speelt Toots Thielemans op de Grote Markt. Zelfs als het regent loopt het Warandepark vol voor de grote zangkunstenaar Johan Vernimmen. De koning en koningin kijken minzaam toe vanop hun balkon. Elke dag komt er ook een nieuwe straat bij. En in elke straat een ministerie van binnenlandse zaken. En in elk ministerie van binnenlandse zaken 10.000 ambtenaren. Allemaal in het blauw. Dat schijnt het volk graag te zien. Blauw. In elke groep van 10.000 binenlandse zaken-ambtenaren zit een Pulaski of een dubbelganger van Pulaski. Ik ga ze eens een keer allemaal bijeen trommelen. Dan zingen we met z’n’ allen samen nog een keer ‘Dolce Paola’. Of ‘Arme Joe’. Ach en waarom niet ‘Jennifer Jennings’?
En op elke hoek van elke straat een papierwinkel, dat was ik nog bijna vergeten te vermelden. De verkopers hebben altijd inkt aan hun vingers. “Comment ça va”, zeggen ze, als Pulaski de zaak binnenstapt. “Comme ci comme ça”, zegt Pulaski, “enfin, over het weer hebben we alvast niet te klagen.” “Comme d’habitude?” vraagt de verkoper met de inktvingers. “Inderdaad, een adressenboekje”, zegt Pulaski, “voor het geval dat dat van gisteren vandaag weer vol zou raken”.

GESPREK MET AGATA OVER BOEKEN EN FILM

Haruki Murakami

Haruki Murakami is mij een te modieuze auteur, zegt A. Ik heb geen zin om hem te lezen. Iedereen leest hem. Misschien wel, zeg ik, wellicht is hij een hype. Maar hij is desondanks een uitstekend schrijver. Waarom lees je geen boek van Julio Cortazar, Rayuela, bijvoorbeeld? Ik zeg haar dat ik het ooit geprobeerd heb, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik hier in Brussel in een wonderlijke boekwinkel werkte, maar dat de roman mij niet echt lag. Hij was me wat te experimenteel. Waar moest je bijvoorbeeld beginnen? Dat is enigszins ironisch want ik schreef toen zelf nogal experimenteel – en tegelijk ook wel archaïsch. Het heeft lang geduurd tot ik toegang vond tot Rayuela, zegt A, maar uiteindelijk is het me gelukt en nu vind ik het een meesterwerk. Het boek zal wel niet meer verkrijgbaar zijn in het Nederlands, zeg ik. De schrijver is nochtans in Brussel geboren. Zijn werk zou hier alleen al daarom permanent verkrijgbaar moeten zijn. Maar ik heb alleszins een mooi excuus gevonden om mij nog wat langer in Murakami te verdiepen.

Ik begrijp A.’s verzet tegen het modieuze maar al te goed. Toen ik nog zo jong was als zij – dat was in 1977 – had ik net dezelfde houding. Ik weigerde resoluut bestsellers te lezen. Jef Geeraerts, Umberto Eco, Een vlucht regenwulpen, fuck you! Wat ik zocht waren zonderlingen als Lautréamont, Joris-Karl Huysmans (waar in die tijd nog bijna niets van in het Nederlands was vertaald, gek, want Huysmans was van Nederlandse komaf), Raymond Roussel, Heinrich Von Kleist of Alfred Kubin.

Maar ik vind Murakami inderdaad een uitstekend schrijver. Neem nu ‘De tweede aanval op de bakkerij’. De verteller en zijn echtgenote – ze zijn nog maar net gehuwd – worden ’s nachts wakker met een razende honger. In de koelkast ligt echter niets eetbaars en het is te laat om nog op restaurant te gaan. De verteller associeert de honger met een vulkaan. Opeens herinnert hij zich dat hij een hele tijd geleden nog eens zulke honger heeft gehad. Dat was ten tijde van de aanval op de bakkerij. Het grappige is dat Murakami een eerder verhaal ‘De aanval op de bakkerij’ had genoemd. Nu krijgt de bruid van de echtgenoot-verteller dit verhaal in het kort voorgeschoteld – om maar eens een culinaire term te gebruiken. Die eerste aanval op een bakkerij gebeurde ten tijde van de studentenrevolte in Japan in 1969. Samen met een vriend overviel hij om financiële en ‘filosofische’ redenen een bakkerij. De bakker was echter niet bereid om meteen zijn brood af te staan. De twee ‘revolutionaire’ studenten moesten eerst de ouvertures van Tannhäuser en Der Fliegende Holländer beluisteren, voor ze met een voldoende grote voorraad brood mochten vertrekken. Die daad was meteen het einde van de ‘revolutie’ voor de verteller. Al snel had hij zich aangepast aan de burgerlijke maatschappij met haar repressieve normen en waarden. Dat verraad aan de jeugdidealen knaagt echter aan zijn geweten (of maakt vreemde kronkelingen in zijn onbewuste). Het is een vloek die op hem rust. In ‘De tweede aanval op de bakkerij’ voert de verteller dan opnieuw een aanval uit op een bakkerij, samen met zijn bruid, die tot verbazing van de verteller blijkt te beschikken over een Remington geweer en skimaskers. Geen van beiden hadden ooit geschoten of geskied. “Het huwelijksleven is een vreemde zaak”, merkt de verteller daarbij op. Na de tweede aanval op de bakkerij is de verteller van de ‘vloek’ bevrijd. Wat een prachtig verhaal! Het doet mij heel sterk aan sommige films van Buñuel denken.

A. vertelde me dat Sven Nykvist is overleden, een van de beste cameramannen (de uitdrukking ‘director of photography’ dekt beter de lading) die de filmwereld ooit heeft gekend. Ik wist het niet, omdat ik, zoals u weet geen kranten lees en niet naar journaals luister of kijk. Soms vang ik wel eens iets op, bijvoorbeeld over de rellen in Budapest, maar meestal weet ik van niets. Ik leef al een tijd lang met mijn blik naar binnen gekeerd, waar niets te zien is, zelfs geen vulkaan. Alleen films kunnen mijn blik weer naar buiten doen keren. Voorlopig althans. Nykvist is vooral bekend vanwege zijn onovertroffen samenwerking met Ingmar Bergman (De Stilte, Persona, Het uur van de wolf, De schaamte, Scènes uit een huwelijk, Herfstsonate), maar ook door onder meer zijn camerawerk voor The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Het Offer van Andrej Tarkovski, Le Locataire van Roman Polanski en Pretty Baby van Louis Malle. Ik noem maar enige titels van films die ik zelf heb gezien en bewonderd.

Ik opende net mijn boekenkast om iets op te zoeken (soms zoek ik iets op in een boek, in plaats van via google); er viel een aarden kruik uit, waarvan het oor afbrak. Uit de kruik viel één ding: een medaille van de 8ste sportdag van de Vlaamse ambtenaren op 25 september 1997. Gisteren was het de 17de sportdag, waar ik niet bij aanwezig kon zijn. Weer zo’n vreemd toeval. Jammer van die kruik natuurlijk. In het stuk van Heinrich von Kleist ‘Der zerbrochene Krug’ is de gebroken kruik een symbool van de verloren onschuld. Maar nu ga ik wellicht te ver met mijn associaties. Nochtans gaat het in die twee bakkerijverhalen van Murakami ook over de verloren onschuld. En waar gaat het in de films van Bergman over?