ZIEK IN TAZACORTE

Ziek zijn op La Palma is geen pretje. Afgesneden van het vaderland, wachtend op de terugkeer. De goede lucht schijnt haar werk niet behoorlijk te doen. Een hardnekkige hoest. Ik denk veel aan de vrienden en iedereen daar bij ons. Ook aan deze unieke wereld hier van skynetblogs, die ik nu al een tiental dagen de rug heb toegekeerd. Ik zit in het halfduister, buiten schijnt de milde zon. Om het kwartier begint hier om een onverklaarbare reden James Browns I Feel Good, een tiental seconden en dan is het weer gedaan. Waarschijnlijk een computer game. Ik verlang naar huis, maar wacht geduldig 1 mei af. Lieve groeten voor iedereen die dit leest.

MONUMENT VOOR JOE

Ik heb de indruk dat er mogelijk onomkeerbare haat is ontstaan bij een groep jongeren in Brussel. Die haat en bloeddorstigheid hebben wijzelf, door onze ongastvrijheid, misschien enigszins in de hand hebben gewerkt. Maar dat mag geen verontschuldiging zijn voor zulke onmenselijke wreedheid.
Waarschijnlijk komt het willen bezitten van dat consumptievoorwerp, een mp3-speler, maar op de tweede plaats en is er echt sprake van uit diepe haat voortvloeiende moordlust. De kinderen van het nazisme hebben met hun absurde zuiverheidsobsessie een al even fanatieke groep ‘ideologische’ en zelfs racistische misdadigers en moordenaars doen ontstaan. Ook al ben ik atheïst, toch weiger ik nog steeds de hele islam te veroordelen. Ik geloof niet dat de islam slechter is dan het christendom, het joodse geloof of de vrijzinnigheid. Religies – en vooral hun leiders en instituten – hebben veel ellende berokkend en veel dieprood bloed doen vergieten. Maar religies hebben mensen ook bij elkaar gebracht en hen – ons -morele principes aangeleerd. Religies hebben zich meermaals overgeven aan paranoia, onverdraagzaamheid en systematisch fanatisme. Doorheen de geschiedenis hebben religieuze leiders dikwijls bonden gesmeed met despoten en dictators, soms op een cynische wijze ten dienste van hun geloof, meestal uit vraatzucht en machtswellust. Maar mede door dat falen van religies, door die lage en ‘onmenselijke’ kanten van hun leiders en het fanatisme en de onnadenkendheid van hun volgelingen, hebben ze gelukkig ook vrije mensen, vrije broeders en zusters, afvalligen, ketters, denkers, vrije geesten helpen ontstaan. Niet dat we die religies daar echt nodig voor hadden, maar hun dogmatisme heeft ons er wel toe aangezet om elk dogma in twijfel te trekken.

Goed en kwaad zitten in ons allen. Het kwaad houdt verband met wrok, verbittering, afgunst, zich beter voelen dan de anderen. Het kwaad ontstaat vaak bij gebrek aan democratische gemeenschap, in afgeslotenheid, als een samenzwering tegen de ‘onzuiveren’.

Wij bloggers hebben daarom ook een grote verantwoordelijkheid om, als spontane gemeenschap, alle mogelijke pogingen te ondernemen om dit kwaad in te dijken, zowel de zuiverheidsideologieën van extreem-rechtse bewegingen en individuen en van allerhande fanatici, als de bloeddorstigheid van om het even welk fundamentalistisch, onnadenkend, wraakzuchtig spiegelbeeeld daarvan.
Voor onverschilligheid, moet ik toegeven, bestaat geen enkel excuus. Wij zijn allen verantwoordelijk.

Die arme jongen, Joe, blijf in mijn gedachten spoken. Ik zal hem niet vergeten, om de eenvoudige, egoïstische reden dat ik zelf ook Joe had kunnen zijn. Misschien moeten we een monument oprichten voor Joe. In het midden van het Centraal Station van Brussel. Niet omdat hij een held is maar een slachtoffer. Een slachtoffer in de ware betekenis van het woord. Neen, niet ‘misschien’, we moeten dat hoe dan ook doen. Een vredelievend monument oprichten. Met de onderliggende boodschap dat iedereen hier welkom is, uitgezonderd fanatici en laffe moordenaars. Joe, je bent hier welkom, Rachid, je bent hier welkom, Véronique, je bent hier welkom, Baa, Milena en Anya, jullie zijn hier welkom. Brussel behoort jullie, behoort ons toe.

JOE IS DOOD

Joe is dood, een jongen van zeventien. Vermoord in het Centraal Station hier in Brussel, op vijf minuten van de plek waar ik werk. Een uur na de moord was ik geheel toevallig in dat zelfde station. Er was niets meer te zien. Business as usual. Ik heb het pas de dag nadien in de krant gelezen. Een jongen van zeventien. De mooiste leeftijd, nog zoveel onvervulde dromen. Dit maakt me sprakeloos. Ik lig er al een paar nachten wakker van. Ik wil er over schrijven. Ik wil nadenken over oplossingen. Praten met mensen. We moeten met elkaar spreken. Een van de weinig aangename eigenschappen van Brussel is dat het een multiculturele stad is. Warschau is ook ooit een multiculturele stad geweest. De nazi’s hadden daar echter andere gedachten over. Nu is er van die veelzijdige wereld niets meer over in Warschau. Moet dit in Brussel ook gebeuren? Dat wil ik niet. Ik zie de Vlaams Blokkers al klaar staan met hun boeventronies en hun goedkope slogans, in het Frans. Want in Brussel proberen ze het in het Frans. Maar de gasten die Joe hebben vermoord spelen met vuur. Ze steken een jongen vol toekomst en dromen en mogelijkheden dood voor een iPod. Maar ze doen nog veel meer. Ze maken een samenleving kapot. Als hier een burgeroorlog komt, wat niet onmogelijk is, zijn zij mee verantwoordelijk. Ik ben zelf ook al meermaals beroofd, overvallen, met messen bedreigd en in het hospitaal geklopt. In 1997 was het het ergst. Op een zonnige avond in juni, vlakbij de Beurs. Gebroken neus, tanden kapotgeslagen, zware hersenschudding, hematoom. Voor tweeduizend frank. Sindsdien loop ik nooit meer echt gerust op straat. Maar meestal denk ik er niet aan. Een jongen van 17 neersteken voor een mp3s-speler?

Kan het nog erger? Wat kunnen we doen? Racisme heeft geen zin. Uiteraard niet. Iets constructiefs is nodig. We moeten deze stad opnieuw uitvinden. De manier waarop we met elkaar omgaan, met elkaar spreken.
Ik leef mee met de ouders, de familie, de vrienden van Joe en ik wens ze veel moed en sereniteit.

GOEDE MENSEN

Graag wil ik alle lezers van hoochiekoochie danken voor al hun bezoeken, en misschien lezen zij ook wel eens een stukje, wie weet. Niets verbaast me nog. Vooral wil ik degenen dank zeggen die hier regelmatig langs komen en me de voorbije dagen beterschap hebben gewenst en een fijne en verkwikkende reis. Ik waardeer dat zeer, het is een hart onder de riem. Toch wil ik er even op wijzen dat ik nog niet weg ben… Het zou kunnen dat hier toch nog wat geweeklaag of enige verontwaardiging zal verschijnen. Of anders aanbiddingen, lofzangen, gedweep met die of die. Misschien wat bagatellen over mijn dagelijks bestaan, dat kan ook.
Om heel precies te zijn vertrekken wij maandagochtend om vier uur ’s ochtends. Ik heb dus nog even de tijd.

DROMEN VAN ANDALUSIË

casa de pilatos

De voorbije nacht zag ik weer de dorre maar toch bekoorlijke landschappen van Andalusië. Wat ik hier op een rijtje zet deed zich aan mij voor als een experimentele film, waarbij narratieve structuur en logica plaats hadden gemaakt voor de eloquentie van de beelden. Alcohol, kerken, een flamencozangeres, meeuwen op het strand, twee kleine meisje in matrozenjurkjes, busstations, witte dorpen, het vloeide allemaal door een grote, meanderende rivier.

Een of andere busreis met Alsina Graëlls langs de verminkte Costa del Sol. Was het van Malaga naar het lelijke, charmante Almuñecar? In oktober, als er geen toeristen meer zijn, alle pretparken gesloten. En daarna, vermoeid van de lange reis, drink je Montilla en eet je wat ham en olijven. Later nog frisse Mahou en lauwe Osborne Brandy aan de toog tussen oude mannen.

Bar Fernando, vlak bij Campo del Principe in Granada. Het Alhambra, een begenadigd oord. Begenadigd? Je kunt er niets over zeggen, je moet het zien, ondergaan. Het Albaicin. De muzikaliteit van de inwoners van Granada. De sierlijkheid van hun bewegingen. Het meisje dat zo mooi stond te zingen terwijl ze de winkel schoonmaakte in het Cuesta del Gomerez, waar al de gitaarmakers hun zaak hebben.

Granada: het drukste gewoel dat ik ooit heb meegemaakt en een vreselijke stank van uitlaatgassen, maar wat hogerop, de rust van het Albaicin, de kleine straatjes waar nauwelijks auto’s komen, met de landelijke carmenes, die je vanop het Alhambra heel goed kunt zien liggen. Het ruisende water, overal in het Generalife, die prachtige tuin, een werkelijk paradijs. De Arabische cultuur heeft veel goeds met zich meegebracht naar Andalusië. In de brandende zon water drinken op een terras in het Juderia.

Misschien is Cordoba nog bedwelmender, nog muzikaler, nog religieuzer dan Granada. De Mezquita is een gigantische moskee, in het midden waarvan de katholieken een kathedraal hebben gebouwd, die er zelfs niet echt staat te storen. Voor de Mezquita ben ik totaal van slag geraakt van een tuin met sinaasappelbomen en een fontein. In Cordoba is er een lekker sfeervolle bar, die ook Mezquita heet. Je kunt er van de beste sherry drinken tot je scheel ziet. In de restaurants krijg je sherry bij het eten, een goede combinatie. Ik wil zeker nog terug naar Cordoba. Ook al om weer door het plantsoen met de duizenden duiven te wandelen, bij zonsondergang, op een gelukkige manier moe van de hitte en de toevallige goedheid van het leven.

Een van de allermooiste paleizen die ik ooit mocht zien is Casa de Pilatos (of Palacio de San Andres) in Sevilla. Sevilla is een bekoorlijke stad, met misschien de mooiste en de jongste vrouwen van de wereld. We komen er echter met teveel toeristen bijeen. We blijven er beter weg en laten die stad aan zichzelf. Dat geldt evenzeer voor Firenze en Venetië, door het toerisme versleten steden. Het is beter er over te lezen in romans van Henry James, Thomas Mann en E.M. Forster.

Iets helemaal anders is Jerez de la Frontera. Stilte, drank, paarden en flamenco. Dat lijken clichés, maar zo eenvoudig lijkt die stad. Iedereen slaapt er voortdurend zijn roes uit. ’s Avonds komen een paar kleine bars en tablao’s tot leven. Mannen drinken en zingen, vrouwen kijken toe of dansen met stevige benen en vurige ogen. Er zijn nog hoedenwinkels in Jerez. Tussen oleanders wandelen oude mannen met wandelstokken.

Cadiz leeft en is van lucht en licht gemaakt. Cadiz heeft mijn hart gestolen. Ik houd van alle havens en van de oude oceaan, die mijn verbeelding naar Amerika en naar het dichterbije Afrika leidt. Ik houd van Cadiz om tien uur ’s avonds, in de drukke calle San Francisco. Ik hoor de stemmen wandelen, poëtisch in hun onverstaanbaarheid. Ik houd van Cadiz, zelfs in een vermolmde jeugdherberg of in een luizig pension, bij wijze van spreken dan, want het is proper, ook al is het vervallen. In de oktobernamiddag schittert vanop het strand in de verte de beloofde stad: Cadiz. De kathedraal is dan een toekomstvisioen. Elk gebouw staat op zijn plaats, daar aan de horizon, in de beloofde stad. Het strand is immens en bijna geheel verlaten, alleen zie je af en toe iemand een eenzame sport beoefenen. Niets meer, niets minder. Of toch wel. Vijf meeuwen vliegen over onze hoofden, vijf jongens wagen zich in het water (19 graden), twintig of dertig mieren vervoeren een stukje deegwaar. Ze voelen zich al helemaal Italiaans en heffen met z’n allen O Sole Mio aan. In Cadiz eet je alleen maar vis en drink je veel Oloroso, of goedkope witte wijn uit Sanlucar de Barrameda.

Voor mij is de Costa de la Luz de mooiste streek van de wereld. Alleen al het horen van de plaatsnamen kan me in vervoering brengen. Cadiz, Chiclana, El Puerto de Santa Maria, Conil de la Frontera, Los Caños de Meca, en Tarifa. Nochtans zag ik op die stranden dode vluchtelingen aanspoelen terwijl in Tarifa de surfers ongestoord hun gang gingen. De onverschilligheid van de roes, van het geluk. Genoeg daarover.

Overmorgen sluit ik mijn boeken en vertrek ik opnieuw op vakantie, nog een keer naar La Palma, om er zuivere lucht in te ademen en tot rust te komen. Maar eerst moet ik genezen, en deze koortsige herinneringen aan Andalusië verjagen.

Foto: Casa de Pilatos in Sevilla, Martin Pulaski

EMILIANA TORRINI IN BRUSSEL

EmilianaTorrini 2

Ik ben ziek, keelontsteking, piepende adem, hoofdpijn, the whole shenanigan. Van mij valt vandaag niets goeds te verwachten. Ik was gisteren ook al ziek, maar nog niet zo erg.
Niets, behalve dit. Ik heb gisteren in de AB een weergaloze zangeres gehoord: Emiliana Torrini. Ik zal als ik beter ben eens een lijstje proberen te maken. Nu moet ik werken, anders werken.