LUIS BUÑUEL : LE CHARME DISCRET DE LA BOURGEOISIE

charme discret 2

Het was al een hele tijd geleden dat ik ‘Le charme discret de la Bourgeoisie’ voor het eerst zag. In mijn herinnering leefde de film voort als een van de minder geslaagde werken van Buñuel. Ik weet niet hoe ik mij zo heb kunnen vergissen. Of is er iets mis met mijn geheugen? ‘Le charme discret’ is verbluffend. Ik zeg het niet graag maar het is nu eenmaal zo: het is een geniale film, en Buñuel is een genie. Ik ken niet één hedendaagse schrijver die geniaal is, die geniaal is in de betekenis die ik aan deze term geef. De betekenis van de term kan afgeleid worden uit de propositie: Buñuel is een genie. Je moet dus wel empirisch te werk gaan om erachter te komen wat ik hiermee bedoel.
Het volstaat om ten minste één derde van zijn films elk een drietal keer te zien om te weten wat een genie is.

Buñuel is een dromer. Maar is elke dromer een genie? Natuurlijk niet. Overigens zijn genieën vaak niets anders dan idolen. En zelfs valse idolen. Genieën zijn bijna zonder uitzondering dichters. Shakespeare, Blake, Nietzsche en Baudelaire waren genieën: wie kan dit ontkennen? Allen waren zij (ook) dichters.

‘Charme discret de la bourgeoisie’ is op alle niveaus subliem. Neem nu alleen nog maar de geluidsband. Het lawaai van vliegtuigen, treinen, enz. als taaluiting. Op een gegeven moment moet de minister van Binnenlandse Zaken (Michel Piccoli) een bevel tot invrijheidstelling van de ambassadeur van Miranda – een fictieve Zuid-Amerikaanse bananenrepubliek – en zijn handlangers verklaren. Je hoort dan het geraas van een vliegtuig. Op het politiebureau ontvangt de commissaris deze boodschap en decodeert ze, d.w.z. hij vertaalt ze in het geratel van schrijfmachines en geeft ze in die vorm door aan zijn ondergeschikten. Zo wordt het abstracte van de technocratische samenleving (van toen, maar ook van nu) tot een aantal essentialia herleid. Metaforen van de vervreemding. Of het acteerwerk, met als uitschieter misschien toch wel Bulle Ogier als de neurotische jonge bourgeoise, het charmante buitenbeentje. Via de indirecte rede spuwt Buñuel zijn gal op degenen die altijd ijverig op zoek gaan naar symbolen en die ook altijd overal vinden. Vooral het personage van Bulle Ogier zit wat dat betreft heel goed. Op een bepaald moment heeft men het in de groep over de vrouwenbeweging. Ogier haakt hier meteen op in om af te rekenen met de idiote symbolen van het fascisme, de vrouwenbewing, het communisme en de vrede. Toch zal het zoeken naar symbolen blijven doorgaan. In verband met ‘Un chien Andalou’ (1929) zei Buñuel reeds: “Niets in deze film staat als symbool voor iets”.

De bananenrepubliek Miranda, waarvan Don Raphaël de ambassadeur is, bestaat niet werkelijk? Toch wel: het is een dorp (of stadje) in Castillië, Spanje. Buñuel is er geboren en opgegroeid. Symboliek in de ruime betekenis (denk aan Lacans psychoanalytische taaltheorie) is in deze film natuurlijk wel aan het werk. Het is bijvoorbeeld geen toeval dat het fictieve land Miranda heet, net zoals het geen toeval kan zijn dat de ambassadeur van dat land ook nog een cocaïnesmokkelaar is. Zou het een toeval zijn dat hij een aantal trekken gemeenschappelijk heeft met de auteur? Zei ik: met de auteur? Eigenlijk bedoelde ik: met een aantal van zijn creaties, met name Don Lope (Tristana), Rabour (Journal d’une femme de chambre), Don Jaime (Viridiana), enzovoorts.

Wie kan er overigens een bepaalde klasse, de bourgeoisie dus, op zulke treffende wijze tot haar ware proporties herleiden als Buñuel dat doet? In het licht van de geschiedenis en van de natuur is het belang van die klasse bijzonder klein. Kijk hoe dat groepje mannen en vrouwen daar loopt over die landweg, wie weet waarheen. Ze lachen wel een beetje, maar hoe lang nog? Op die weg zijn zij er niet veel beter aan toe dan insecten. Met die ‘gezonde wandeling’ wordt ‘Charme discret de la bourgeoisie” afgesloten.

Auteur: Martin Pulaski

Schrijver, blogger, DJ, moderne romanticus. Verslaafd aan muziek, film, boeken, kunst, steden. Radioprogramma ‘Zéro de conduite’ op Radio Centraal 106.7 fm in Antwerpen.

5 gedachten over “LUIS BUÑUEL : LE CHARME DISCRET DE LA BOURGEOISIE”

  1. Hahaaa… “Le charme discret de la bourgeoisie”… ik ken hem wellicht van buiten. Ik ben geen fan van lijstjes [*], maar ik denk wel dat deze film m’n absolute nummer één is. En dan vooral wegens het gevoel voor humor erin. Ik ken ‘m ook half van buiten.

    Eerlijk gezegd begrijp ik niet goed hoe je die film vroeger niet goed hebt kunnen vinden. ’n Beetje te veel citroenen op azijn gegeten, die avond, oder ? ’t Is gewoon een feestelijke comedy van begin tot eind, toch ? Ik ben alleszins blij dat je er nu wel hebt van genoten. En inderdaad, het is een film die je zeer vaak kunt zien. Door het geweldige spel (van Rey, Seyrig, Audran, Ogier, Piccoli & co, maar bv. ook wanneer dwergvrouwtje Muni “moi j’aime pas du tout jésus christ” zegt tegen de bisschop), door de schitterend uitgepuurde dialogen (“mais qu’est-ce que je fais ici, je connais pas le texte”), door het genie waarmee hij dromen brengt (“mère où es-tu, je te cherche parmi les ombres”), etcetera, etcetera.

    Edoch. Hoewel ik het met je eens ben, wat betreft Buñuels unieke genie, vind ik mezelf minder terug in je bespiegelingen bij de film. Ik vind ze nogal geforceerd. Bv. je vergelijking tussen ambassadeur en regisseur / auteur / karakters vind ik maar wazig. Of ook die zin “Toch zal het zoeken naar symbolen blijven doorgaan.” Je woorden – of zelfs je badinerend beschouwen – zijn hier een beetje met je aan de haal gegaan, Mr. Pulaski !

    Wat betreft je interpretatie van het gesprek tussen de politicus en de commissaris, draaf je m.i. ook iets te ver door. Is hier niet vooral slapstick aan het werk ? Dat geraas wordt volgens mij niet *vertaald* – er is m.i. geen act van vertalen als een soort betekenislaag in de film. Voor mij speelt Buñuel daar gewoon een spelletje met de nieuwsgierigheid en de verwachtingen van de kijker, of drijft hij op z’n hoogst de spot met het begrip ‘censuur’. Meer zoek ik er alleszins niet achter.

    Ik denk ook niet dat Don Luis al te zeer bezig was met bewuste commentaren of metaforen of symbolen. De kracht van de film is net dat alles impliciet is, of tongue in cheek. Buñuel heeft zich niet aan die film gezet na een studie van de vervreemding in de burgermaatschappij. Hij voelde die dingen wel goed aan, en als een volmaakte surrealist, gaf hij zich met zijn buikgevoel over aan de grillen van mens en maatschappij.

    Zie ook wat Buñuel zei toen ze hem vroegen of hij dacht dat hij de oscar voor beste buitenlandse film zou winnen, toen “Le charme discret de la bourgeoisie” was genomineerd. Buñuel zei dat hij daar zeker van was. Je kunt van de Amerikanen zeggen wat ze wil, maar als je een deal met hen sluit, houden ze zich daaraan, zei hij. En aangezien ik het vereiste bedrag heb gestort, ben ik zeker dat ik de oscar zal winnen… En jawel, X dagen later won Buñuel de oscar. Uiteraard 😉

    Meer van dat fraais (check bar Het Kanonschot) valt te lezen in Mon dernier soupir, een van de beste autobiografieën die er te lezen valt. Ook aanbevolen : de Conversations avec Luis Buñuel van Tomas Perez Turrent & José de la Colina. De gesprekken met Max Aub vallen tegen, en de biografie van Baxter ook. In 1999 werd ook een reeks artikels over de film gebundeld (ed. Marsha Kinder), maar die waren me te academisch.

    [*] en evenmin van voetnoten. Desondanks, naast “Le charme discret” moet ik ook deze titels namedroppen : “Playtime”, “The party”, “Dr. Strangelove”, “Themroc”, “La notte”, “Pierrot le fou”, “Providence” en héél véél Fellini en Tex Avery 😉

    Like

  2. ja, dat is een schitterende autobiografie.

    overigens gaan mijn ‘bespiegelingen’ niet over de ‘bedoelingen’ van buñuel, het is meer een psychoanalytisch-surrealistische lectuur van wat ik denk te hebben gezien en gehoord.

    Like

  3. Dat genie van Bunuel, daar kan ik in komen en was ik ingekomen vanaf het begin. Heb nooit getwijfeld aan zijn filmwerk. Uiteraard was Bunuel zelf van huize uit een grootburger, die het burgerdom dan ook goed voor schut kon zetten. Het geniale zit in die beeldtaal, Martin, en dat heb je uiteindelijk ook gezien. Meestal zijn films omzettingen van proza in cinema. Nog zo’n geniale filmmaker is Peter Greenaway (ben ik helemaal weg van) van opleiding schilder. En wat gedacht van de filmmaker in de mens Alain Robbe-Grillet? Voor ik het weet staat hier een lijstje. Hoop dat je ondertussen er weer bovenop bent.

    Like

Reacties zijn gesloten.