KATJA SCHUURMAN EN CONNIE PALMEN

rickie_lee_jones_1978-norman-seeff

Zomergasten is dan toch niet altijd goed. De aflevering gisteravond was zelfs gewoon heel slecht en buitengewoon vervelend.  Katja Schuurmans leeftijd impliceert niet dat zij representatief is voor de jeugd, wat sommige commentaron op het forum van zomergasten lijken te willen poneren. Ik hoop alvast dat ze niet representatief is voor de jeugd. Aan de ene kant een ideale, multiculturele samenleving nastreven, en aan de andere kant een Hollandse racist als Theo Van Gogh verafgoden lijkt me weinig consequent. De reactie van Connie Palmen op die naïeve verheerlijking van haar goeroe was zeer terecht. Van Gogh verdiende niet te worden vermoord, dat verdient geen mens. Maar hij was een kinderachtige domkop, dat alleszins. (Nog dommer was hem vermoorden.)
Ik had de indruk dat Connie Palmen zich erg verveelde in het bijzijn van haar gast. Ik heb me ook verveeld. Waarom iemand uitnodigen die weinig te vertellen heeft en vooral lijdt aan slechte smaak, vooral op audiovisueel gebied. Ik heb nooit slechtere muziekclips gezien dan gisteravond in Zomergasten. En ook zelden heb ik zo slecht zien acteren als in het fragment van het heldenepos Gandhi. Dan werd er ook nog een pathetische brabantse ‘soldaat’ getoond: dat leek echt een Hollywood soap. Irréversible heb ik helaas gemist, toen lag ik al in bed. Connie Palmen had dat ook beter gedaan, ze zag er moe uit. Of toch verveeld? Gelukkig was er die storing, heb ik net gelezen. Dan kon iedereen toch wat vroeger naar huis. En Magnolia had iedereen al gezien.

Ik had beter een terrasje gedaan, men vertelde me dat het gisteren zeer mooi weer was. Of gewoon wat gelezen in een van de vele boeken die ik in Berlijn heb gekocht. Of Duchess of Coolsville van Rickie Lee Jones beluisterd. Dat is pas een spannende vrouw, en forever young, ondanks haar rimpels. Katja Schuurman ziet er nu al oud uit, zonder rimpels. Maar genoeg.

BROODJE HAM

Heerlijke parmezaanse hammen liggen in een vitrine uitgestald. De meisjes achter het buffet snijden er behendig flinke stukken af, waarmee ze grote broodjes beleggen. De mensen die voor en naast me staan te dringen krijgen allemaal van die lekkere, grote broodjes. Na lang wachten is het mijn beurt. Mijn broodje is wel bijzonder klein uitgevallen. Ik probeer mijn teleurstelling te verbergen en neem nog vlug twee aan elkaar klevende wafels mee, omdat het minuscule broodje mijn honger niet zal stillen. Maar twee wafels is dan weer teveel van het goede. Ik wil een exemplaar aan een tafelgenoot geven. De man neemt mij beide wafels af en werpt ze woedend op de grond.
“Ik zal u eens een paar motten geven”, zegt hij.
“Legitieme mehari”, zeg ik.

BEREKENENDE APEN

hussserl

Twee dagen geleden vermelde ik hier terloops mijn weerzin voor het boekhouden. Ik schreef ook dat ik geen sympathie heb voor de rekenende en berekenende mens. Ik bedoelde daarmee natuurlijk niet de wiskundigen en natuurwetenschappers. Daar heb ik net grote bewondering voor (ook al vind ik de materie vaak moeilijk, omdat mijn kennis van de wiskunde zo klein is). Op een mooie zomeravond, een tweetal weken geleden, heb ik nog vol ontzag zitten kijken en luisteren naar een alweer zeer geslaagde aflevering van Zomergasten met Robbert Dijkgraaf, hoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam. Zulke wetenschappers deel ik zeker niet in bij de berekenende en rekenende mensen. Ik dacht toen ik zo oneerbiedig over dat rekenen schreef aan het ‘berekenende denken’ van Martin Heidegger, dat hij als filosoof afkeurt. Bij hem gaat het natuurlijk heel wat verder dan vervelende apen die wat zitten te rekenen. Ik ben zelf helaas nog maar weinig met filosofie bezig. Ik weet dan ook niet hoe het nu gesteld is met de tegenstelling tussen wetenschap en filosofie. Bij Heidegger was dat ongetwijfeld een zeer belangrijk thema, net zoals de techniek dat was. Heidegger was van oordeel dat de filosofie werd achtervolgd door de vrees aan aanzien en zeggenschap te verliezen als ze geen wetenschap zou zijn. Dat zou dan gelden als een gebrek dat wordt gelijkgesteld met onwetenschappelijkheid. “In de technische interpretatie van het denken is het zijn als element van het denken prijsgegeven”, aldus Heidegger. Mijn gebrek aan sympathie voor de berekenaar en de technocraat plaats ik voor het gemak even in deze filosofische context. (Een belangrijke filosoof voor het verband tussen wetenschap en filosofie was natuurlijk ook Edmund Husserl, die daar dieper op in ging in onder meer Philosophie als strenge Wissenschaft).

Verwacht van mij nu niet dat deze notities er voortaan als filosofische beschouwingen zullen gaan uitzien. Ik blijf mijn grillige weg volgen, waarbij ik me vooral laat leiden door het toeval en waarbij ik zo waarheidsgetrouw mogelijk verslag uitbreng van wat in mij omgaat, van wat mij aanspreekt, van wat mij zegt wat ik moet zeggen. So don’t turn your back on me, baby, want ik blijf tot het einde mijner dagen lid van sergeant pepper’s lonely hearts club.

DE WITTE REGELING IS VAN KRACHT

witte regeling

Gisteren nog eens gelachen. We stonden al een tijdje te wachten op de metro naar huis terug in station Brussel Centraal, na een avondje Finse dans tijdens het zeer kleinschalige en sympathieke Brigittinenfestival. Geduldig wachten doe je dan; je spant je in om je niet te ergeren aan het oponthoud; je praat wat over Edgar Allen Poe of leest een stukje in The Purloined Letter en verbaast je over de beschaafde conversatie in de 19de eeuw (toen was het nog “good heavens!”, nu is het “fucking shit” of iets dergelijks). Na een tiental minuten onderdrukte ergernis viel de stemmige muziek stil (Roxy Music) en kwam er een Officiële Stem uit de luidsprekers. Eerst in het Frans, daarna zelfs in keurig Nederlands volgde deze mededeling “beste klanten, gelieve er rekening mee te houden dat tot 29 augustus de witte regeling van kracht is op de lijnen 1A en 1B! Dank u voor het begrip!” Jongens toch, gelachen dat we hebben! We waren duidelijk teruggekeerd in het kleine rijk van het surrealisme. De witte regeling is van kracht. Wat zou een Japanse of Griekse bezoeker daar dan bij denken (er van uitgaande dat hij of zij de Brusselse variant van het Frans machtig is)? Of zelfs een Fransman? Zelf vond ik het een slecht gekozen symboliek. Als je zo lang op een metro moet wachten, betekent dat voor mij eerder dat de zwarte regeling van kracht is. Gelukkig was er nog Roxy Music. Dat heb ik in Berlijn niet gehoord in de stations. Maar daar heb je natuurlijk ook geen tijd om naar muziek te luisteren. Je hoeft er helemaal niet te wachten.

In de Brigittinenkapel zijn we gaan kijken naar een voorstelling van de Finse dansgroep Nomadi. Ik had het stuk gekozen vanwege de titel ‘Lucid Dreaming’, en misschien ook wel voor de naam van het gezelschap. Ik heb een nomadische familiegeschiedenis. En alles wat met dromen te maken heeft wekt bij mij verwachtingen. In dit geval had ik droomachtig dansen verwacht, op droomachtige muziek, met veel helder licht, zodat je de droomsituaties goed kunt zien. Niets van dat alles, tenzij het felle licht. Eeen mooi voorbeeld van wat ik droomachtige muziek noem is terug te vinden op de nieuwe cd van Brian Eno, Another Day On Earth. Lucid Dream echter was gewoonweg de slechtste voorstelling die ik ooit heb gezien. Zelfs als het een schoolvoorstelling was geweest had ik ze slecht gevonden. Het enige plezier dat we aan de avond hebben beleefd was de ‘nabespreking’. Wat kan het toch een fijn gevoel geven iets tot op de grond af te breken, vooral als niemand het hoort en je er niemand mee kwetst. Nu breng ik het natuurlijk wel in de openbaarheid, maar ik vermoed dat de Nomadi uit Finland mijn stukjes niet lezen. Bovendien moeten ze als ze het lef hebben om met zulke ondingen voor het voetlicht treden bereid zijn bekritiseerd te worden. Neen, ik heb nog een tweede plezier beleefd aan de avond: het heerlijke Belgische bier. In de Brigitinnenkapel kost een tripel van Westmalle maar 2,2 €.  Hier thuis is vandaag de rode regeling van kracht.
Foto: Martin Pulaski

WANDA GORONSKI EN DE ANGST VOOR DE ANGST?

wandag goronski

Binnen afzienbare tijd zal Wanda Goronski hier in haar eigen woorden haar levensverhaal vertellen. Haar motto is: “there’s nothing to fear but fear itself”, een uitspraak die ze voor het eerst hoorde uit de (gefilmde) mond van Dennis Hopper in Der Amerikanische Freund (gisteren nog maar eens uitgezonden op Arte) van Wim Wenders, die ik een paar dagen geleden zag passeren in een Berlijnse straat. De uitspraak is niet van Dennis Hopper en ook niet van Wim Wenders maar van de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt. Ik weet niet of Wanda dat weet en het is overigens een weinig origineel motto. Maar zoals je zal lezen is Wandag Goronski wel een bijzondere vrouw. Een heel mooie vrouw, met van die sensuele lippen.

BERLIJN EN DE VERZOENING

hegel's tombstone in berlin

Vorige zaterdag zijn we teruggekeerd uit Berlijn, een stad die ik na een derde bezoek meer koester dan ooit. Uitleggen waarom dat het geval is, is heel moeilijk. Ik moet daar nog lang over nadenken. Je kunt bijvoorbeeld moeilijk zeggen dat het een mooie stad is, zoals Parijs of Wenen. De mensen zijn er ook niet zo vriendelijk als in New Orleans of San Antonio.
Een aantal elementen zijn me wel al duidelijk: het is een levende stad, de jeugd is er nadrukkelijk aanwezig (zonder de oudere generaties te schofferen), er is een groot historisch besef, waar dat respect voor oudere mensen deel van uitmaakt. Er is veel schaamte bij de Berlijners, waar ze nu openlijk voor uitkomen. Ze bouwen monumenten om zichzelf en de bezoekers aan hun vreselijke misdaden te herinneren, ze proberen in het reine te komen met zichzelf en met hun recente verleden, ze wensen zich te verontschuldigen, ze streven naar verzoening, een term die voor Hegel al zo belangrijk was (en Ian McEwan heeft over dat hele ‘boetedoeningsproces’ de schitterende roman Atonement geschreven). Die mentaliteitsverandering houdt onder meer in dat in Berlijn ongeveer alles toegestaan is. Veel mensen flaneren er in opvallende kleren en met buitenissige kapsels door de straten. Niemand maalt er om. Ik voel me in Berlijn een grijze mus en wil er graag een metamorfose ondergaan, niet omdat ik me niet geaccepteerd voel zoals ik ben, maar om actief deel te kunnen nemen aan het grote feest. Want dat is het eigenlijk: een groot feest (zoals Ernest Hemingway de jaren ’20 in Parijs heeft beleefd, zo zal het nu zijn voor de kunstenaars en schrijvers in Berlijn, denk ik). Maar op een week verander je natuurlijk niet van gedaante. De vraag is of je überhaupt wel van gedaante kunt veranderen. Is dat niet iets dat alleen maar in mythes gebeurt? Wellicht ben ik gedoemd om tot het einde mijner dagen het bestaan van een grijze mus te leiden. Ach, wat geeft het ook, mijn dagen zijn toch geteld, zij het niet door mezelf. Ik houd er geen boekhouding van bij. Ik houd nergens een boekhouding van bij. Eerlijk gezegd kan ik niet rekenen. De rekenende en berekenende mens vind ik ook niet sympathiek. Sartre betaalde zijn belastingen niet (maar hij had natuurlijk wel genoeg geld om de geaccumuleerde bedragen en boetes uiteindelijk toch te betalen, hij had zelfs genoeg geld om de Nobelprijs te kunnen weigeren).

Maar ik had het over Berlijn. De mentaliteitsverandering houdt verder in dat niemand zich er een vreemdeling schijnt te voelen. De Turken, bijvoorbeeld, zijn echte en overtuigde Berlijners, en er zijn veel Turken in Berlijn. In tegenstelling tot in andere delen van Duitsland spreekt bijna iedereen in Berlijn Engels. Wat overigens ook wijst op de mentaliteitswijziging is de toevoeging van het woord ‘bitte’ aan aanmaningen en bevelen. De Turken zijn er al sinds de jaren ’50 en ’60. Sindsdien zijn er immigranten uit de hele wereld toegestroomd. In de punk- en new wave-jaren was de stad hip doordat David Bowie, Brian Eno en Iggy Pop er woonden en de nieuwe figuratieven (Georg Baselitz) en de Neue Wilden (Rainer Fetting) er ophef maakten. Het leven in West-Berlijn was goedkoop, de cafés waren de hele nacht open. Die tijd is nu definitief voorbij. De stad is zeker niet meer goedkoop. Italianen en Chinezen zijn in alle grote steden aanwezig. Iedereen weet dat ze goed kunnen koken. Dat is in Berlijn niet anders. Lang leve de Italianen! Voor de Chinezen zijn we nu wel wat bang, met hun vele vogels. Er zijn sinds de afbraak van de Muur natuurlijk zeer veel immigranten bij gekomen uit Oost-Europa, vooral Russen en Polen. In de boulevardpers zag ik paranoïde koppen over de Russische invasie in Duitsland, hoe zij bijvoorbeeld de mooiste Duitse stranden overspoelen, en er hun slechte manieren tentoon spreiden, stinkend naar vodka en look! Terwijl je op elk strand van de wereld onder de voet wordt gelopen door bierdrinkende of biologische groenten etende Duitsers. Ik overdrijf een beetje. Vooroordelen zijn nergens goed voor. In de wijk waar wij logeerden, de buurt van de Oranierburgerstrasse en de prachtig gerestaureerde Nieuwe synagoge, een deel van Berlijn Mitte (vroeger Oost-Berlijn), waar veel nieuwe restaurants en cafés hun deuren hebben geopend, doen heel wat Indiërs, Pakistanen en Thais kennelijk gouden zaken. Een beetje zoals in Brussel, maar dan op veel grotere schaal. Overigens kun je Brussel en Berlijn niet met elkaar vergelijken. Als ik dat zou doen, zou ik meteen moeten verhuizen. Als je je eigen stad in volstrekt negatieve termen beschrijft kun je er niet meer leven. Je kunt je natuurlijk opsluiten in je kamer. Dat is misschien nog het beste. Toch wil ik op een paar belangrijke verschilpunten wijzen: in Berlijn wordt er niet tegen de gevels gepist, de typische Brusselse urinegeur is er afwezig, men staat er ’s nachts op donkere straathoeken niet met messen te zwaaien, er zijn overal bomen die er opvallend gezond uitzien, er zijn zelfs zoveel bomen dat zelfs de meest ingenieuze bouwwerken vaak aan het oog worden onttrokken, er zijn overal groene parken, pleintjes, speelpleintjes, hoekjes. Er is een rivier en er zijn grote bossen en meren rondom de stad. Het openbaar vervoer werkt er. Ongeveer elke minuut stopt er op alle plaatsen van de stad een metro, tram of bus. Op een half uur leg je enorme afstanden af. Je zou wel gek zijn om je auto uit de garage te halen. Er is dan ook weinig luchtvervuiling. De Berlijners zijn niet opvallend vriendelijk, maar ze doen een inspanning en ze werken aan een multiculterele levenshouding. Ze spreken vaak meerdere talen. Zoals iedereen weet is Brussel ééntalig – kan het nog dommer in de ‘hoofdstad van Europa’? Maar ik besef dat ik dreig te weinig genuanceerd uit de hoek te komen. Ik kan over Brussel ook wel een aantal interessante dingen verzinnen, mocht dat nodig zijn. Wellicht zou dat beter zijn voor mijn geestelijke gezondheid dan het bejubelen van een gigantische bouwwerf? En laat ik de beschrijvingen van Berlijn best over aan de reisgidsen, en aan auteurs als Alfred Döblin, Klaus Mann of Walter Benjamin. Recentere schrijvers die over Berlijn hebben geschreven ken ik helaas niet. Er zijn natuurlijk ook de films van Fassbinder en Wim Wenders. Toch zal ik nog op mijn Berlijnse impressies terugkomen. Het moet.

Foto: Martin Pulaski, Hegel’s graf.

WAAROM IK NOOIT EEN HIPPIE BEN GEWEEST

mods in tongeren

Nu ik terug ben uit Berlijn wil ik, voor ik wat vertel over de indrukken die ik daar opdeed, even verduidelijken waarom ik nooit een hippie ben geweest, wat verwanten, vrienden en kennissen – die het kunnen weten – nochtans beweren; een authentieke hippie zelfs, zeggen sommigen. Dat zijn degenen die me op televisie hebben gezien in een documentaire over Jazz Bilzen 1967. Ik was in hun ogen een hippie omdat ik toen kennelijk de uitspraak heb gedaan “ik houd van bloemen”. Er zaten ook bloemen in mijn haar. Die kwamen uit de tuin van mijn tante Berb in Neerharen. De interviewer, Louis Neefs, vroeg me waar ik van hield en waar ik tegen was. Ik was destijds tegen de oorlog in Vietnam. Ik heb die reportage zelf ook gezien, toch al weer een tijdje geleden, bij een derde herhaling. Ik had er bij mijn vriend Jos in Leuven al een fragment van gezien op video. Toen de documentaire een tweede keer werd uitgezonden heeft Jos dat fragment zeer toevallig en spontaan opgenomen, verrast zo opeens zijn vriend op televisie te zien. Hij heeft toen ik bij hem op bezoek was een foto gemaakt van me, zoals ik op dat ogenblik was, al enigszins verwelkt, met op de achtergrond het stilstaande beeld van mezelf in 1967 met die bloemen op mijn jas en in mijn haar. Het was duidelijk dat ik van bloemen hield. Ja, ik herinner me nu heel goed dat ik ook tegen die oorlog in Vietnam was en voor de vrede. De mensen moesten maar eens wat liever gaan worden voor elkaar. Er was al meer van voldoende haat in de wereld. Ik was helemaal weg van flower power en love-ins. Maar het spijtige was dat ik in Limburg nogal alleen was met zulke standpunten en gevoelens – en met lang haar. Was ik op mijn zeventiende dan toch een hippie? Ik heb altijd gevonden dat ik een mod was, zeker in 1967. Ik hield van modieuze kleren. Roze, turkooizen of gele fluwelen jassen, gestreepte broeken, hemden met bloemenmotieven… Mijn haar was geknipt – bij een kapper in Maastricht – zoals dat van Steve Marriott van The Small Faces, mijn favoriete Britse beatgroep in die dagen en een van de weinige die ik in die periode ook live heb gezien, in Diepenbeek. Een meisje dat ik die avond ontmoet had – veel gestreel en gekus – heeft mijn zonnebril als aandenken bewaard. Ik weet niet meer hoe ze heette. Wat zou er met haar zijn gebeurd? Ach, beter dat ik het niet weet. (En zo spring ik maar van de hak op de tak…)

Mijn muzikale helden waren dus die Engelse beatgroepen: Small Faces, Kinks, Who. Ik hield ook van The Rolling Stones. Between The Buttons vond ik een schitterende elpee. Je moet eens naar de foto op de hoes kijken: zijn dat hippies? Natuurlijk niet. En van Bob Dylan, heel zeker. Bob Dylan, dat is toch nooit een hippie geweest, hij was veeleer een anti-hippie.

Later, in 1970, na het debacle van Altamont en het bijna profetische lied Gimme Shelter, had ik als barman in de Dolle Mol in Brussel een afkeer van de hippies die er kwamen, vooral omdat ze stuk voor stuk aan bewustzijnsvernauwing leden. Ze waren nergens in geïnteresseerd als het niets met drugs, volle rijst, namaak-blues (door blanken gespeeld) en vooral Jimi Hendrix te maken had. Domme mensen vond ik hen. In De Dolle Mol weigerde ik platen van Jimi Hendrix te draaien. Maar de countrymuziek waar ik destijds zo van hield mocht niet, die was niet hip genoeg. Wat wel mocht – omdat nogal wat Vlaamsche schrijvers aan de toog hingen – was De Zotte Morgen van Zjef Vannuytsel, maar die haatte ik helemaal. Samen met Max dreef ik de spot met die naïeve hippies. Maar Max vond dat ik toch nog enigszins aan de verkeerde kant stond: ik ging naar films kijken als Jeremiah (een cowboyhippiefilm). En ik had contacten met Robert, een softdrugs-dealer. Robert was geen slechte jongen maar zeker niet mijn vriend. Ik hield vooral niet van de muziek waar hij van hield (Cat Stevens en kierewiete folk). Door mij heeft hij Lou Reed en The Velvet Underground en David Bowie leren kennen en is zijn smaak wat veranderd. Robert was een kennis van Sarah. Via Sarah heb ik eens wat Congolese wiet van hem gekocht. Ik dacht eerst dat hij een oplichter was: volgens mij zat er gewoon thee in het luciferdoosje. Bij nader inzien bleek het toch echte goede Congolese marihuana te zijn. Maar wist ik veel. Ik was een Limburgse mod, die nog nooit wiet had gezien.Ik geef toe dat ik een tijd lang van de roes van hasjiesj en – in mindere mate – van wiet heb gehouden. Het was zo prettig om onder invloed naar sommige muziek te luisteren. Vooral naar die van Jimi Hendrix!

Sinds 1967 was ik een absolute fan van The Velvet Underground. Dat was de volmaakte anti-hippie rock & roll band. White Light White Heat was een van mijn vijf uitverkoren elpees. Als ik die oplegde waren al mijn vrienden na vijf minuten de deur van mijn kamer uit. Niemand hield van die muziek. Letterlijk niemand. Tot in 1972 of 73, in die ellendige periode van de glam, toen Lou Reed met ruggensteun van David Bowie succes kreeg met Transformer. Ik heb ook nooit van The Grateful Dead gehouden (ik maakte wel een uitzondering voor hun countryplaten). Woodstock vond ik vreselijk vervelend. Santana was om te schreien. En dan al die Britse hippiegroepen zoals Third Ear Band, Edgar Broughton Band, weet ik veel wat nog allemaal. Bah! Nadat Syd Barrett Pink Floyd de rug had toegekeerd hield ik die groep ook voor bekeken. Van Syd Barrett hield ik enorm veel omdat hij surrealistische sprookjes schreef, en een heel eigenzinnige gitaarstijl had en zeker ook wel omdat hij zich heel goed kleedde. Ik bewonder Syd Barrett nog steeds. De intellectuele ‘goeroe’ en anti-psychiater Ronald Laing, die ik destijds vereerde, heeft hem niet kunnen genezen van zijn schizofrenie. Ronald Laing is nu dood, Syd Barrett zit waarschijnlijk ergens rustig te genieten van de bloemen in zijn Engelse tuin.

Nadat ik filosofie was gaan studeren kreeg ik een beter inzicht in waar het in feite allemaal om ging. Lang haar of kort haar was niet belangrijk. Er was niets mis met outsiders, met de tegen de stroom invaren, met de beat-generation of met pop art en dergelijke dingen. Er was niets mis met rock & roll. Maar wat heel duidelijk werd was dat de wereld moest veranderen en dat kon je niet door je op te sluiten in een subcultuurtje. De wereld kon je alleen maar veranderen als je deel werd van een gemeenschap. Je kon je leven zin geven door te lezen en te schrijven, of iets anders te doen, maar dat volstond niet als je het in je eentje bleef doen. En nog volstaat dat niet. De paradox waar ik moest uitgeraken was – en is – dat je je oorspronkelijkheid, je eigen-aardigheid, verliest als je deel wordt van de gemeenschap. Hoe moet je dat dan doen? Dat is de vraag.

Foto: Tongeren (het meisje van King & Queen, Luc Verjans, MP, Jan Depooter)