HOPE SANDOVAL’S DROOM

Hope 2

Kapitein drinkt sterke rum tijdens een lange droomvaart. In de seringenmist bespeurt hij zijn albatros. Een loods is overbodig tenzij hij zijn gitaar inplugt en het voordek onderdompelt in fuzz en feedback. En dan daarbovenop het heroïnegefluister van Hope Sandoval. Je proeft haar gif in je oor. Je vreest verdrinking in de donkere platen, waar de bedrogen tweelingbroers rusten. In haar zwarte hand houdt ze een appel. De kapitein werpt zijn lege fles overboord en zegt ‘schandalig’, ‘verrukkelijk zo zonder uitzicht’! ‘Alle magere vrouwen zijn hoeren’, verklaart het Boek der Schlemielen. De omvang van hun borsten. De hitsigheid van hun stemmen. Maar magerder kan niet in zulk donker donker. Tot je dag binnenvaart en de lucht licht wordt van vioolgeur. Hope Sandoval zal zich dan afzonderen als een vampier in een bunker en haar stem voeden met velerlei medicijnen.

 

UITVERKOREN SCHRIJVERS

musil 2

Een ‘lijstje’ van mijn uitverkoren schrijvers.

Paul Auster, Douglas Coupland, Ian McEwan, Hanif Kureishi, TC Boyle, Don DeLillo, Allen Ginsberg, Jack Kerouac, James Cain, Dashiel Hammet, Raymond Chandler, Patricia Highsmith, Ross McDonald, Lucebert, Hendrik Marsman, Remco Campert, Geerten Meysing, Cesare Pavese, Giorgio Bassani, György Konrad, Milan Kundera, Franz Kafka, Robert Musil, Elias Canetti, Arthur Schnitzler, Hermann Broch, Carson McCullers, Virginia Woolf, Malcolm Lowry, Thomas Hardy, Henry James, August Strindberg, Knut Hamsun, Fernando Pessoa, Marcel Proust, André Breton, Antonin Artaud, Arthur Rimbaud, Wladimir Nabokov, Ivan Toergenjev, Alexander Poesjkin, Nicolai Gogol, Gustave Flaubert, Stendhal, Jonathan Swift, Heinrich Von Kleist, Giacomo Casanova, Giacomo Leopardi, Dante Alighieri, Friedrich Hölderlin, William Blake, Walt Whitman, TS Eliott, Sylvia Plath, WH Auden, Rainer Maria Rilke, Guy Debord, Raoul Vaneigem, Jacques Derrida, Michel Foucault, Roland Barthes, Friedrich Nietzsche, Arthur Schopenhauer, Jean Jacques Rousseau.

Het was echt wel tijd voor nog eens een lijstje, ik begon ontwenningsverschijnselen te krijgen. Je zal moeilijk kunnen zeggen dat dit triviaal is. En ik vermoed dat ik nog heel wat uitverkoren schrijvers over het hoofd heb gezien; ik heb geen bibliotheek in mijn nabijheid om dit na te gaan. Waarom staan Cervantes, Melville en Joyce er niet in? Toegegeven, dat zijn grote schrijvers, maar het zijn geen favorieten van mij.

DE KLEINE TRAGEDIE VAN EEN HÖLDERLINLEZER

Met Hölderllins gedichten op zoek naar een café, om even op adem te komen. Je voelt een soort trots. Maar waarom eigenlijk ? Er was je een ochtend van kristal beloofd, heldere lucht die je de adem zou teruggeven.

Hoe je in het donker je tenen telde. De tel verloor. Opnieuw begon. Een haast net zo donkere prinses gleed uit haar witte jurk. Heel even lichtte haar verblindende huid op in de nacht. Daarna hulde zij zich in slangenvel en vulde haar ogen met bloeddorst. Een superieure onverschilligheid voor je lijden nam bezit van haar. Je zette de zwarte parel uit het hoofd.

(Niemand ontsnapt aan de wetmatigheden, in je boek genoteerd.)

Maar niets van dat alles. De zon schroeit en verblindt. Het graan kan elk ogenblik in brand schieten. Nergens is een landbouwer te bespeuren. Het is te heet.

’s Avonds gaat het beter. Er worden grote glazen strogeel bier geschonken. De echo van de accordeonmuziek lijkt het bestaan van een hiernamaals te bevestigen, vooral waarschijnlijk omdat je met niemand praat, je kent hun dialect niet, maar wel evenveel drinkt als zij.

Een jong meisje danst op een ruwe houten vloer. Haar bloemetjesjurk is vochtig van haar zweet dat naar appelwijn ruikt. Je had haar graag bij de heupen genomen, en dan zou ze naar je geglimlacht hebben. Dat zou voldoende zijn geweest om je uit je lethargie wakker te schudden . Maar je gaat weer op dezelfde stoel zitten, alleen aan een tafeltje. Met tegenzin grote slokken bitter bier drinkend. Je hebt opeens zin om zo’n vlot type te vermoorden. Een schot tussen de domme ogen zou volstaan.

DE TOREN

empire 3

Twee mannen stappen gehaast door een maïsveld. Ze zijn al lang onderweg. Nu duikt voor hun ogen aan de horizon de Torro de l’Oro op. Vol verwondering laten ze hun blik rusten op het bouwwerk. Ze zwijgen lange tijd en denken bij zichzelf: ‘die toren behoort mij toe, ik zag hem het eerst.’

Kraaien in de blauwe lucht. Af en toe scheren ze over de maïsstengels.

De ene man, die een blauw pak aan heeft, neemt het woord. “Dat is de toren van 1750”, zegt hij.De tweede man, klein van gestalte, zegt: “Je mag zeggen wat je wilt, maar die toren is van mij, ik heb hem het eerst gezien”.

Dicht bij de gouden toren brandt een vuurtje. De kleine man ziet een grote sleutel, die ligt te gloeien in de vlammen. Dat is de sleutel van de poort, denkt hij. In zijn hoofd wordt alles nu glashelder. Een paar meter achter hem daagt zijn metgezel op. De man in het blauw, met een mes in de hand.

De man in het blauw stopt het mes in zijn zak en loopt door: wat verderop heeft hij een brug ontwaard. Dat is de brug naar de toren, denkt hij. Niets houdt mij nu nog tegen. Het geheim is voor mij.

De kleine man twijfelt. Eerst de sleutel uit het vuur, of meteen naar de toren, dat is de vraag. De sleutel, denkt hij, die moet ik hebben. Laat hem maar lopen. Die geraakt toch niet door de poort.

De man in het blauw nadert de brug. Daar stort hij al neer, zijn hart stil gevallen. Zijn gelaat heeft nu dezelfde kleur als zijn pak. Uit dit voorval schept de kleine man nieuwe moed. Hij begeeft zich in de vlammen om zich de sleutel toe te eigenen. Aangezien hij echter blootsvoets is, verbrandt hij meteen zijn voetzolen. De sleutel blijft buiten bereik.

Nu zit hij radeloos onder een notenboom. Zijn voeten doen pijn, maar daar denkt hij niet aan. Hij denkt aan de toren en aan de sleutel in het vuur. Hoe geraak ik toch in de toren binnen zonder sleutel?Plotseling treft een bliksemflits de top van de toren. Het bouwwerk vat meteen vuur. Allerlei gedaanten, bevangen door schrik voor de vuurdood, springen door de ramen.

De kleine man scharrelt zijn weinige bezittingen bijeen en keert terug op zijn schreden. De zon is inmiddels aan de hemel verschenen. Hij probeert zo lang als hij kan in de zon te kijken. Tot hij zich moet onderwerpen. Niets is sterker dan de zon, zegt hij. Achter hem staat de Torro de l’Oro. In het bovenste gedeelte is het vuur al gedoofd.

 

GEEF AL HET OVERIGE AAN DE STROOM

nachtmerrie,ziekte,dood,metamorfose,verhaal,hoochiekoochie,rivier,stroom,golem,shakespeare,paul bowles

Alfred leunt zwaar tegen de donkere kussens. Naast het bed dat naar de ziekte stinkt staat een kastje met doosjes pillen, drie romans van Paul Bowles, het werk van Shakespeare en een fles jenever. Voorbij het kastje begint de verschrikkelijke wereld. Uit die verschrikkelijke wereld is een bezoeker opgedoken die nu op een stoel naast het bed zit en luistert naar Alfreds gefluister.
“Mijn vriend en ik wandelden over een verlaten strand. De zon omhulde ons met een zacht licht, met tinten van de Atlantische oceaan en van de hemel. Er waren geen wolken te zien. Hadden we niet beiden het gevoel dat we in het oneindige rustten ?”
“Wie was die vriend”, vraagt Bruno, “of spreek je daar liever niet over?”
“Het was Bruno”, zegt Alfred, “maar het was niet dezelfde Bruno als jij. Een beetje wel, hij had bijvoorbeeld hetzelfde blauwe pak aan als jij, en hij had ook dezelfde boeken gelezen, geloof ik. Maar hij hield van aardappelen. Ja, hij was anders.”
“Bruno begon een put te graven. Na een kwartier of zo stootte hij met zijn schop op een been. Het kwam hem voor dat het een menselijk been was. En inderdaad, enige minuten later vond hij nog een stuk van wat alleen maar een geraamte kon zijn. Hij zou blijven doorgraven tot hij alle beenderen van het skelet verzameld had, zei hij…”
“Ik zie het”, zegt Bruno, “en hij heeft de schedel in zijn handen en hij mompelt ‘waarom zou dit niet de schedel van een rechtsgeleerde zijn? Waar zijn nu z’n haarkloverijen, zijn drogredenen, zijn rechtsgedingen, zijn acten en zijn knepen…'”
“Geen sprake van”, zegt Alfred. “Hij zou te moe geweest zijn om aan Hamlet te denken. De zon was mild, dat wel, maar het graven duurde lang. Ik weet niet hoe het kwam, maar op een bepaald moment besefte ik dat ik me naast Bruno in de put bevond. Ook ik stond nu te in de grond te wroeten. Ik stelde vast dat de beenderen uitermate klein waren. Dat zag ik nu pas. We begrepen dat dit het geraamte van een dwerg moest zijn. Hierdoor werd onze nieuwsgierigheid, die zo al groot was, nog meer gewekt. Uiteindelijk, toen we alleen nog op zand stootten, wikkelden we alles wat we gevonden hadden in een doek en namen het mee naar huis. Je kunt je niet voorstellen hoe ongeduldig je was, Bruno.”
“Ongeduldig?”, vraagt Bruno.
“Je stalde de beenderen uit op een lage, notenhouten kast, die ik overigens nooit tevoren had opgemerkt. Wat ga je doen, vroeg ik. Ik ga het geraamte in elkaar zetten, zei Bruno. Ik ging een thee drinken in het theehuis op de hoek en bladerde wat in de krant van twee dagen tevoren. Een half uurtje later stond ik opnieuw voor de kast en vroeg nog een keer wat hij nu eigenlijk aan het doen was. Ik maak een ventje, zei hij.
Bruno zat echter op een stoel recht voor de kast en keek naar het ventje. Hij was al gereed, met zijn schitterende oogjes en zijn grote rode neus. Bovenal glom hij, van top tot teen. Ook was hij natuurlijk buitengewoon klein. Je zag meteen dat het een slecht ventje was, Bruno. Door en door slecht. En plots was jij verdwenen, weg. Alleen het ventje was er nog. En ik. Heel brutaal keek de smeerlap me aan en zei, met jouw eigen stem, maar krassend en oud, een lelijke stem: weet je wel wie ik ben? Ik ben je vriend, Bruno, zei hij. Je had zijn grijns moeten zien. Maar gelijk had hij: tegenover mij zat het ventje en hij heette Bruno en het was mijn enige vriend. Hij bleef niet lang zitten.
Waarschijnlijk had hij zin om even zijn benen te strekken. Wat ook de reden was, hij sprong van de kast en begon luid te lachen. Ik voelde er niets voor om iets te zeggen. Al het zout van de oceaan zat in mijn mond.
Toen jij terug was, ik weet niet van waar je kwam, trok alle leven uit het ventje weg. Wel bleef hij nog rechtop staan, maar hij lachte niet langer, en de schittering verliet zijn gemene oogjes. Daarop keek jij me aan en zei: nu moet jij eens het ventje zijn, Alfred.
Het gebeurde zo snel dat ik me hoegenaamd niet kon verzetten. En de duivel daalde in mij neer met zijn vurige aard en vloekte in mij, met mijn kleine, giftige tong. Ik was het ventje. En er was niets op de wereld dat ik liever wou doen dan de mensen zoveel mogelijk kwellen. Dat ik ooit Alfred was geweest was ik vergeten. Toch zei ik tegen Bruno: ik ben Alfred, je beste vriend. Tegen jou zei ik dat, dat je mijn beste vriend was. Maar geen steen mocht op een andere steen blijven rusten. En de walvissen van de oceaan zouden op het strand liggen te rotten in de verzengende zon.”

Bruno kan het gefluister niet meer verstaan. Een stervende mens stinkt erger dan een dood schaap op het strand. Soms moet hij er even uit om in het park de geur van de dennenbomen op te snuiven en in een soort van geestelijke verbijstering te bidden tot Sint-Christoffel, die op een paard gezeten, een kind naar de overkant van de rivier helpt. Alleen het kind, bidt hij, geef al het overige maar aan de stroom.

VREDE ONDER DE DODEN / LONG JOHN BALDRY

andres serrano 2

De tragische gebeurtenissen van de voorbije weken en dagen – al het bloed dat door de straten van onze steden stroomt, al de verdwaasde jongens die zichzelf opblazen, al de jongeren en ouderen die uiteen worden gereten, en al spoedig vergeten zullen zijn – dreigen een gevoelloze toeschouwer van je te maken. Je blik wordt troebel, net zoals de foto’s die je maakt van je geliefde en van je vrienden. Je keert je rug naar de toekomst en laat je persoonlijke geschiedenis ophouden ergens in de jaren ’90. Je maakt jezelf wijs dat alles toen beter was. Wat natuurlijk niet zo is. Wij zijn altijd al wreed geweest voor elkaar. Slechte en dwaze mensen zijn van alle tijden. Toch is er ook veel liefde en mededogen in het hart van veel eenlingen. Arbeiders, schrijvers, kunstenaars, hoeren, priesters verkondigen nog altijd het evangelie van eros en agape. Een leger des heils van de verbeelding houdt ons, gewonde en troosteloze dieren, bij elkaar, in de verenigde staten van de potentiële vrede.
Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen is dat door al deze gebeurtenissen de kleine dingen door de mazen van het net dreigen te vallen. Bijvoorbeeld de dood van Long John Baldry, een begaafde blueszanger, die vooral populair was in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Als er geen vrede is onder de levenden, laat er dan ten minste vrede zijn onder de doden.

De foto is een werk van Andres Serrano.

FILE GUMBO OP DE MYSTERY TRAIN

louisiana

Zij zouden naar New Orleans gaan, in Lousiana, Memphis in Tennessee en New York in New York. Het zou een verrukkelijke reis worden. Ze zouden zich goed amuseren. Ze zouden veel vliegen en taxi’s nemen. In New York zouden ze zich tot helemaal boven in de Empire State Building begeven. Die is tot middernacht open, had Marc gezegd. In Louisiana zouden ze met een bootje de bayous en de swamps verkennen. Ze ouden oog in oog staan met alligators. Filé gumbo en jambalaya eten. Met een raderboot de Mississippi bevaren, de Proud Mary, rolling on the river. In Memphis zouden ze het spook van Elvis tegen het lijf lopen, de Japanners uit Mystery Train achterna. In New York was een appartement waar Buddy woonde, die in 1992 al erg oud was, bij de verzekeringsfirma werkte hij al lang niet meer. En zijn huwelijk met het liftmeisje was uiteindelijk toch op een mislukking uitgelopen.
Foto: Martin Pulaski, Louisiana 1992