LEVE KARL MARX, JOHN COLTRANE (EN DE TEPELS VAN DE DANSERESSEN)

john coltrane 2

Het kunstenfestival in Brussel is een theaterfestival (tenzij ik wat dingen mis, wat best mogelijk is, gelet op mijn omstandigheden, die ik hier de voorbije weken meer dan voldoende uit de doeken heb gedaan). Gisteren zag en hoorde ik Raga for the rainy season / A love supreme? Danspasjes geleid door Anne Teresa De Keersmaeker (wat een moeilijke naam, hoe kunnen Turken, laat staan Engelsen, die ooit goed gespeld krijgen?) en het Rosas clubje. Mooi gedaan, fijne kleertjes, een sober podium, heerlijke Aziatische muziek in het eerste deel en na de pauze de tijdloze John Coltrane in wellicht zijn beste suite (waarbij zeker ook McCoy Tyner niet mag worden vergeten). Maar grijpt dit spektakel je aan, verandert het je leven? Betekent het iets? Niet veel. Geen sterveling kan tot de hoogten van ‘A Love Supreme’ opstijgen, zelfs geen kunstenaar of choreograaf, maar ik geef toe dat dit een mooie poging was. Het eerste, Indische deel deed me echter meer: je zou kunnen zeggen dat het hele menselijke bestaan erin aanwezig was, met melancholie als boventoon. In het tweede deel werd een religieuze extase nagebootst. Tijdens beide delen dwaalden mijn gedachten meermaals af van de danseressen (en vergat ik ook hun tepels, die ondanks mijn hardnekkige pogingen tot sublimatie toch altijd weer mijn aandacht trekken) en gaf ik me onvrijwillig over aan gepieker over werk, ongezondheid en mislukking. Op twee uur tijd passeerden heel mijn leven en vooral alle verkeerde keuzes die ik ooit gemaakt heb de revue. Ik zat daar een soort van doodstrijd te beleven. Soms is naar het theater gaan geen pretje. Maar ik wil niet overdrijven. Ik zat bij Rosas niet de hele tijd aan de dood te denken. Ik heb ook fijn genoten, vooral van de muziek van Coltrane, die thuis nooit zo luid staat als in de Hallen van Schaarbeek.
Wat ik een echt buitengewone voorstelling vond tijdens dit kunstenfestival was Hallo Hotel van René Pollesch, qua structuur en plot gebaseerd op ‘Night Porter’ van Liliana Cavani en Opening Night van John Cassavetes. Het stuk is vooral een aaneenschakeling van schizofrene scènes vol geschreeuw en gebral over het lichaam, de communicatie (of het gebrek daaraan) en de productiemiddelen. Karl Marx in de 21ste eeuw, maar ontspoord, ontregeld. Mooie Berlijnse vrouwen ook. Ze heten Stefanie Dvorak, Johanna Eiworth, Caroline Peters, Sophie Rois. Ik ben te moe om er dieper op in te gaan. Ik had graag nog wat verteld over de slaperige ogen van Charlotte Rampling, een echte actrice (onder meer in Night Porter) maar ook een personage in Hallo Hotel. Maar mijn eigen ogen vallen toe van de slaap. Ik kan dit zelfs niet meer nalezen.

HOE NEEM JE AFSCHEID?

COO

De seizoenen volgen elkaar vliegensvlug op. Het is nog maar net m’n verjaardag geweest en ik ben al opnieuw aan de beurt. Ons leven op aarde is een korte vakantie (of een werkkamp, zo je wilt). We zijn nergens gelukkig maar willen toch blijven. Dat is paradoxaal. Je komt dat bij heel veel schrijvers tegen: het beste is zo snel mogelijk terug te keren naar waar we vandaan komen. Ook bij Leopardi, in ‘De herinneringen’, een van de mooiste gedichten die ik ken. Het leven op aarde is een hel, maar we zijn verontwaardigd als we worden verdreven. Leven is afscheid nemen. Elke dag moet je van iets afscheid nemen. Als we op reis zijn, zeg ik vaak tegen Laura: hier komen we nooit terug. En dan overvalt me zo’n wee, droevig gevoel. De meeste streken die we hebben bezocht, zullen we nooit weerzien. En dan zijn er nog zoveel plaatsen op deze wereld die we nooit zullen bereiken: Azië, Afrika.

‘s Nachts voor het slapengaan komt het vaak voor dat ik plotseling denk, het is toch een groot bedrog dat wij moeten sterven. Leven is eigenlijk iets dat niet mag ophouden. Sterfelijkheid is een schande, zei Elias Canetti. Afscheid nemen is voor mij altijd moeilijk geweest. Afscheid van mijn moeder toen ik naar ‘de kolonie’ (het Kinderdorp in Rekem) moest, op mijn achtste. Ik had tot dan in de veilige cocon van het schip en kort bij de warmte van mijn moeder geleefd. ’s Nachts het geklots van het water, dat zal hebben geleken op de tijd in de baarmoeder. Of het gebonk van de motor, als vervanger van het hart. Verdreven worden uit de baarmoeder is verdreven worden uit het paradijs. Roger Lewinter: “Précisément parce que l’être humain se conçoit dans un dehors extatique, où il s’élabore en dedans, après la naissance, expulsion du paradis, pour retrouver l’adéquation existentielle, l’état duel, confusionnel, du dehors-dedans, le dedans doit devenir à soi-même son dehors. Le corps, après la naissance, est ainsi le lieu de tout dehors, où l’être humain se représente la relation paradisiaque initialement vécue dans la matrice. » (Groddeck et le royaume millénaire de Jerôme Bosch,20.)

Soms sta ik voor mijn boeken en wordt het me teveel omdat ik dan besef dat ik de meeste werken nooit meer zal lezen. En mijn platen- en cd-collectie is zo groot, dat ik er nooit voldoende tijd voor zal vinden om alles te beluisteren, zelfs niet één keer. (Toch wel gek dat je dan toch CD’s blijft kopen, als je weet dat je ze misschien maar één of twee keer zal beluisteren. Na een maand afwezigheid uit de winkels heb ik vandaag weer heel wat schade ingehaald. Zo zit ik nu te luisteren naar Devils and Dust, niet slecht maar ook niet echt ontroerend.).

De melancholie van de middelbare leeftijd. Mijn jeugd is voorgoed voorbij. Maar in mijn bewustzijn ben ik een jonge man gebleven. Ik voel me misschien wel beter bij jongere mensen. Mijn leeftijdgenoten hebben het gemaakt in de maatschappij. Er gebeurt niets nieuws meer in hun leven. Ze staan niet meer open voor ‘het nieuwe’, denk ik soms. (Maar ik mag niet veralgemenen. Ik heb vrienden van mijn leeftijd die helemaal niet aan dit beeld beantwoorden. Zij hebben zich nooit aangepast aan de middelmaat.) Bij jonge mensen voel ik me goed. Maar ik weet niet hoe zij mij zien. Waarschijnlijk ben ik voor hen een oude kerel. Ik geloof niet dat vroeger alles beter was. Ik heb geen nostalgie naar een bepaalde periode. Wel naar dingen die gebeurd zijn in mijn jeugd, omdat ik toen jong was. Als je jong bent is altijd alles beter. Het pijnlijke van je bestaan is dat je niet jong meer bent. Dat zegt Leopardi ook in De herinneringen.Het geeft mij een elegisch en bitter gevoel te weten dat wij moeten verdwijnen en dat de dingen blijven. De stoel waarop ik zit, de tafel waarop mijn koffie staat te dampen. De boeken die ik heb gelezen of die ik in mijn handen heb gehouden blijven na mijn dood achter. Ik houd ze nu samen, ik heb ze bijeengebracht. Als ik dood zal zijn, zullen ze hun betekenis verliezen. Denk maar aan wat er met de boeken van Jos is gebeurd, na zijn dood. Ze hebben hun lezer verloren, die ze leven gaf, ze zijn betekenisloos geworden en mensen met ruwe zeden hebben ze in dozen gestopt en naar markten en tweedehandsboekenwinkels gebracht. Kopers zullen wellicht geprobeerd hebben zijn naam te verwijderen, evenals het gekke ventje dat hij altijd bij zijn naam zette. Dat ons leven korter is dan dat van een boom. Is het daarom dat sommige mensen zo graag bomen omhakken, hele wouden platbranden? Het regenwoud in Brazilië wordt grondig aangepakt. Is het jaloezie van sommige mensen? Kunnen zij het niet verdragen dat het woud hen overleeft en zuurstof zal geven aan hun kinderen en kleinkinderen. Kinderen worden het meest geliefd op aarde. Dat zegt iedereen. Maar als je ziet wat er met het regenwoud gebeurt, ga je daar toch sterk aan twijfelen.

Tussen mijn twintigste en dertigste voelde ik mij heel sterk aangetrokken door alles wat melancholisch was. Vooral de romantiek. Schrijvers als Shelley, Heinrich Von Kleist, Leopardi, Gérard de Nerval. Dat heeft wel sporen nagelaten, denk ik. Wat hield ik van de zwarte zon van de melancholie.
Eigenlijk zijn er twee vormen van melancholie, tenminste twee vormen: de ene is de zoete melancholie waarbij je terugdenkt aan de gouden tijd van je kinderjaren, de andere is de wrange, tragische melancholie, waarbij je beseft dat je sterfelijk bent, en dat je leven kort is.

Ik heb vandaag een boek gekocht van Martha Nussbaum om geen enkele andere reden dan dat het over emoties gaat. Ik ken die Nussbaum niet, maar emoties wel, en ook de afwezigheid ervan. Waarom zijn de mensen zo afstandelijk, verbergen zij hun emoties, hun gevoelens? Waarom zijn ze er niet als je hen het meeste nodig hebt? Ook weer retorische vragen, natuurlijk, want ik ben zelf een mens. Heel vaak ben ik afwezig geweest, heel vaak ben ik afwezig. Probeer het maar eens, vraag mij eens iets, neem de proef op de som. Terwijl ik naar Bruce Springsteen luister wacht ik af in mijn kamer.

Foto: met mijn ouders en hun vrienden bij de Waterval van Coo

WEEFSELS VAN HET HART

1968

Georges Bataille beweert dat mensen lachen uit schrik. Ook met erotisch gedoe wordt gelachen, maar dan wel omdat beschaafde personen er schrik voor hebben. Schrik is een positieve eigenschap. Beschavingen komen voort uit schrik voor allerlei akelige dingen in de wereld en daarbuiten. Het zou ook kunnen dat Georges Bataille dat helemaal niet beweert. Ik heb echter geen zin om de inleiding bij Madame Edwarda te herlezen.

Op een vrij groot adreskaartje van St Joseph’s Bed and Breakfast in Roundstone vind ik de volgende notitie terug.“Een hevig onweer met Frankie, Sara en Sontag in Bierdorp. Dat moet ik beschrijven in een verhaal. Een wolkbreuk. Hete dag in augustus. Midden in een open veld; het modderige water stroomt over de veldweg. Ik draag de buggy van Frankie en vrees te zullen worden getroffen door de bliksem. Sara heeft alleen een dun katoenen jurkje en een slipje aan. De regen en de hitte geven haar een ongewone, intense erotische uitstraling. Ik heb nooit zo hevig naar haar verlangd, terwijl ik daar liep met Frankie en Sontag. In het gebulder van de donder en bukkend voor de bliksem. Druipend van de regen, de voeten vol modder, komen we in het dorp aan. Sontag neemt ons mee naar een huis van een tante van hem. Daar krijgen we droge kleren, die ons niet passen.”

Bierdorp: waarschijnlijk kon ik me op het moment dat ik de notitie maakte – in Roundstone – de naam van de gemeente waar het onweer zich voordeed, niet herinneren. Dat gebeurt wel vaker op reis, dat namen van plaatsen of van personen mij niet willen te binnen schieten. Niet alleen in Ierland, na een avond Guinness bij Gus O’Connor.

Wandeling. In westelijke richting in de heuvels van Poggio Attendi, dan zuidelijk tot San Donato, dan terug via Montanto en Santa Lucia. Toscane, zomer 1996. De heerlijke Vino Nobile van Montepulciano. Op het terras van ons hotel hebben we daar met kleine teugen van genoten. Ook in het café Poliziano. Ik weet wel zeker dat het gevoel dat we toen hadden niet zal terugkomen als we er opnieuw naartoe gaan.

“Tingeltangelzangeres.”

Ik moet ooit een keer het verhaal vertellen hoe we tequila leerden drinken. Amerikanen in het Hard rock café, aan het Fernand Cockplein in Elsene, leerden ons tequila drinken. Job, Nora, Laura en mij. Duchateau beweert dat hij er ook bij was, maar ik geloof er niets van. Laura kan het zich niet herinneren. Zij heeft me die nacht in het bad gegooid (met mijn zeemvelleren jas aan). Ze was plotseling in razernij weggelopen van me en had thuis al haar kleren uitgetrokken. Toen Job, Nora en ik binnenkwamen, stond ze naakt in de badkamer (de ingang van ons appartement was via de badkamer). Ik was woedend. Toen ik druipnat uit het bad stapte kotste Job op mijn rug. De pindanootjes lagen over de vloer uitgezaaid. De salontafel en de stoelen waren omver gestoten. De bovenbuurvrouw, een echte feeks, belde de politie. Toen de agenten binnenstapten – alle deuren stonden open – was de rust weer hersteld. Alles opgeruimd en netjes. Job zei: “We hebben zitten discussiëren over Socrates”. In het Antwerps, zei hij dat. De agenten geloofden hem, moesten eens lachen. Je zag ze denken: “filosofen!”. “In ’t vervolg niet zo luid discussiëren, mannen ”, zeiden ze, en vertrokken. Het waren Vlamingen. Misschien waren ze wel uit Antwerpen afkomstig. De Amerikanen zeiden dat je tequila puur moest drinken. Je had er citroen en zout voor nodig. Je strooide eerst wat zout op de rug van je hand, dat likte je af, dan dronk je de borrel leeg en vervolgens beet je in een stuk citroen. Dat herhaalde je een aantal keren, tot je ver genoeg weg was, maar net niet te ver. Na The Hard Rock Café zijn we naar een fuif gegaan. Nora had er vol vuur en overgave met mij en Laura gedanst. Job was er boos geworden, geloof ik. Op weg naar huis was Job in het midden van de Troonstraat gaan liggen, aan metrostation Luxemburg (nu Troon). Ik was over de brugleuning geklommen en aan een vlaggenmast gaan hangen. Mijn bril is naar beneden gevallen, in de tunnel van de kleine ring, waar overdag het verkeer doorraast. ’s Anderendaags ben ik er nog naar gaan zoeken. Tevergeefs. (Veel later, nadat ik in de Kiekenmarkt in mekaar was geklopt, is Laura naar een andere, al heel wat duurdere bril gaan zoeken. Tevergeefs.) De tequila-avond heeft zich afgespeeld in 1976, zo ongeveer.

Ik vind net een notitie terug: “I wouldn’t be buried in this suit.”

Aantekening bij het verhaal Lenny’s verjaardag: ongeveer zeven jaar geleden (op mijn verjaardagsfeestje op 16 juni 1998, om precies te zijn) zei Danny dat we porto dronken op zijn verjaardag (in het verhaal heb ik hem Lenny genoemd). De fles porto is stuk gevallen op de vloer, zegt hij. Pas daarna hebben we grappa gedronken.Waarom moeten er bloemen zijn, rozen, lelies, papavers? Als we ze toch niet mee kunnen nemen? Elegische stemming.

Wat herinner ik me nog van de plaatsen waar ik ooit ben geweest?Neem nu Stuttgart… Een hotelkamer met een open gasleiding. Ik was werkelijk bang dat we tijdens onze slaap zouden worden vergast door die ‘nazi’s’. Hadden ze ook al niet gevraagd om in onze bagage te mogen kijken? Dat was toch tegen alle gastvrijheid in! Het was de tijd van de Rote Armee Fraktion. Ulrike Meinhof zat in de gevangenis. Ze wilden zogezegd weten of er geen drank tussen onze kleren zat, want dat mocht niet. Misschien dachten ze wel dat we bommen bij ons hadden, of machinegeweren…Met alternatieve mensen die ons in hun kleine autootjes meenamen (in die tijd liftten we nog langs de Duitse snelwegen) hadden we het over de terreur van de staat en over de verschrikkingen van de Stammheimgevangenis. De ‘nazi’s’ in het hotel hadden in zoverre gelijk dat we sympathiseerden met Ulrike Meinhof. Ik vond dat ze op een mensonwaardige manier werd behandeld. Overigens zagen we er ook verdacht uit, Laura met haar hennahaar en ik met mijn lokken tot op mijn schouders. Zo’n hennahaar hadden alleen hippiemeisjes. Terroristen, zullen de Duitsers oude stempel misschien hebben gedacht.

Toen ik de eerste keer in Berlijn was (1998) zag ik dat de meerderheid van de jonge vrouwen daar rode haren had. Wat vond ik ze allemaal aantrekkelijk… En overal in de stad hingen affiches voor de film “Lola rennt”. Lola met de rode haren: zou het een terroriste zijn, vroeg ik me af.Toen we op een zomeravond in Innsbrück aankwamen zaten alle hotels vol. Toch werd er voor ons nog een kamertje vrijgemaakt. Dat was dan wel gastvrijheid, in Oostenrijk, waar Hitler vandaan kwam. Maar ook Wittgenstein natuurlijk, en Robert Musil, de beste schrijver.

In Pécs logeerden we bij een verdacht sujet, een vrijgezel in een groot appartement. Wat ik mij vooral herinner is het wasrek in de badkamer, dat met kabels en katrollen tot tegen het plafond was getrokken. De vrijgezel in zijn mouwloze onderhemd. Zijn bleke armen. Pécs was een vreemde en fascinerende stad. Het was er bloedheet. Dankzij de hitte waren de vrouwen schaars gekleed. Of was dat typisch Hongaars, misschien? Waren zij altijd zo warmbloedig?

In Eger, stad van het Stierenbloed of Egri Bikaver, wandelden we door de straten en over de pleinen met de dorpsfilosoof en (soms) zijn dochter. Hij sprak vlot Duits en ik had net een cursus Duits achter de rug, zodat de conversaties nogal meevielen. Jammer genoeg was de man oerconservatief. In het begin wantrouwden we hem. We wilden met hem bijvoorbeeld geen uitstap maken naar het bos van Szilvasvarad (een naam voor een sprookje, vind ik). We dachten dat hij ons daar misschien wel zou vermoorden, in dat donkere woud. Toen we er dan toch een keer aan het wandele
n waren, kwamen we hem en zijn dochter ‘toevallig’ tegen. Hij heeft ons niets in de weg gelegd. In de bus terug naar Eger heb ik wel een flinke kou gevat. Een paar dagen later zaten we in een bioscoop in Zagreb, waar intussen de burgeroorlog heeft gewoed, naar ‘The Color Purple’ te kijken, mijn keel helemaal toe van de infectie. De dorpsfilosoof van Eger was een bijzonder zachtaardige Hongaar. Hij had veel problemen gehad in zijn leven. Zijn professoraat was hem afgenomen omdat hij geen lid was van de Communistische partij. In Szilvasvarad staken duizenden kleine kikkertjes de weg over. Je kon bijna niet anders dan er op trappen.

Praag associeer ik met paranoia. In het ruime, kraaknette appartement waar we logeerden, een half uurtje buiten de stad, in de wijk Knetzky Luka, konden we ’s avonds, na het nuttigen van een paar flessen witte wijn op het terras van café Europa, niet meer binnen. Er was iets met het slot. De vrouw deed verwoede pogingen, maar het lukte niet. Ze moest de hulp van haar vriend (of echtgenoot) inroepen. Ze zei geen woord tegen ons. Nochtans kende ze Engels. De man moest het slot helemaal losschroeven. In volstrekte stilte. In de restaurants waren de mensen bang om afgeluisterd te worden. Terecht. Op een avond hebben we in restaurant Rudolf toch zitten praten met Oost-Duitsers, uit Leipzig. Ze keken af en toe achterdochtig om zich heen. Ze waren zeer ontevreden over het regime in hun vaderland. Iedereen wordt er afgeluisterd, fluisterden ze. Alleen in kerken kunnen we vrijuit spreken. Ons bezoek aan Praag was een paar maanden voor de fluwelen revolutie. Ik had niet echt in de gaten dat er zo’n revolutie werd voorbereid. Ik zag bovenal onbeschoftheid, onvriendelijkheid, slecht en vettig eten. Zeker in het restaurant Savarin, een oud kasteel, werden we buitengewoon onvriendelijk bejegend. Toen we er buiten kwamen hadden we zo’n honger dat we worsten zijn gaan eten in een selfservice, met een groot glas bier erbij. Neen, Praag ontving ons niet met open armen. De betere momenten in Praag waren die met de vrienden (Jim en Ronda, met wie we afgesproken hadden, maar die we een dag voor onze afspraak al tegen het lijf liepen op het Oude Stadsplein, nadat we met Hollandse meisjes in restaurant De Gier biefstuk met eieren hadden gegeten), (Lou en Cindy, die we toevallig ontmoetten in Hradcany en met wie we een mooie avond beleefden in restaurant Europa, een schitterend art deco-interieur). Praag was een buitengewoon mooie stad. Misschien wel de mooiste stad waar ik ooit ben geweest. Ik heb er twee hoeden gekocht, heel wat klassieke elpees, Laura heeft er zich leren handschoenen aangeschaft in een supermarkt, waar voor de rest niet veel te koop was, en een Russisch polshorloge.

Het lange wachten op een lift aan de grens tussen Duitsland en Oostenrijk, op weg naar Italië, in de zomer. De troost van zoete alcohol, tegen de kou en de regen. Na uren in onze handen klappen en met onze voeten stampen dan toch meegenomen, maar wel in een open voertuig. We vergingen van de kou. Overal bergen rondom ons. Ik kreeg een afschuw van de bergen met sneeuw op hun toppen.Er bestaat geen zuiverheid op de wereld. Het verlangen naar zuiverheid is misschien wel het grootste gevaar in de mens.Alle interessante ervaringen met openbaar vervoer op een rij zetten.

Treinreizen.

Ongewone belevenissen in de metro. Bijvoorbeeld hoe je ooit hevig schrok van een vrouw zonder neus die opstapte op bus 96 in de Troonstraat. Je had net cursus gevolgd over de Esthetica van Hegel. In het station in Antwerpen een man met een volledig paars gezicht. The Color Purple. De auto als openbaar vervoer (liften). Tram en bus. Nog niet zo lang geleden bracht een buschauffeur ons, met de lichten uit, tot helemaal aan de Westrand in Dilbeek. Anders hadden we nog meer dan een half uur moeten lopen in de kou. We gingen kijken naar Francesca, van Wedekind. Een stuk met mooie blote vrouwen.

In Duitsland, wilde een Siciliaanse trucker mijn gezellin verkrachten. Hij vond dat het minste wat we konden doen, in ruil voor wat hij ons aanbood. “Vier stunde fahren und ein stunde schlafen”, mompelde hij af en toe. Toen hij zijn zin niet kreeg wat dat verkrachten betreft, zette hij ons uit zijn truck, middenin de Duitse nacht.

Vliegtuig. Boot.

Ervaringen met honden: Picky en Jimpy, Suzy.

Ervaringen met het nummer 56. Je schrik om op je 56ste te sterven. Dat valt dan nog mee. Vroeger dacht je dat je zeker niet ouder dan 26 zou worden. Huisnummer 56 in de Dolfijnstraat. Tram 103 die in 56 verandert. 1956 het jaar van de rock & roll. Van de opstand in Boedapest.Laura woonde in de periode 1985-1987 in de Osystraat 58 in Antwerpen (officieel adres).

Vanaf 1987 tot 1989 had ik een kamer in de Breughelstraat.

Nog een geluk dat ik vaak schrik heb. Zo bouw ik mijn wereldje op. Af en toe komt er een stukje bij. Als ik weer eens wakker schrik uit mijn vervelende slaap. Mijn muurtje van woorden en stilte, dat nooit afgeraakt. Maar kan het kwaad? Jij bent toch ook maar een fragment.

Foto: Blankenberge, 1968, Martin & Monique.

HERSTELLINGSWERKEN

IMG_0413 (2)

Mijn levensgezellin is geen actrice, maar ze had het kunnen zijn. Bij de aanvang kunnen wij alles, met het ouder worden nemen onze mogelijkheden af. Hoewel onze professor Leopold Flam er meermaals op wees dat Tolstoj nog Grieks heeft geleerd op vrij hoge leeftijd. Mijn levensgezellin is nog altijd een mooie vrouw maar net als dat van mij is haar leven nu grotendeels vastgelegd. Er valt nog moeilijk te ontsnappen aan de gewoontes, de afhankelijkheden; uitstijgen boven de determinante patronen wordt met de dag moeilijker. Ze loopt nu rond met één grote schoen (met een dikke zool) en één kleine schoen. Uit die grote schoen steken haar tenen. Uit een van die tenen steekt een pin. Op die pin zit een kurken dop. Eergisteren werd er in Pellenberg herstellingswerk op haar uitgevoerd. We hebben allen onze kwalen en ongemakken. Dit is allemaal nog niet zo erg, er zijn mensen die veel erger lijden. Een goede god zou dat nooit toestaan. Zou een goede god zijn paus laten afzien en sterven? Zou een goede god jonge jongens zich in zijn naam laten opblazen? Ja, natuurlijk zijn dit retorische vragen.

Ik wil vandaag heel graag naar een verjaardagsfeestje van een heel goede vriendin, maar ik merk dat mijn lichaam niet wil. Wie ben ik dan en wie is mijn lichaam? Zijn wij niet één en dezelfde, of elkaars spiegelbeeld: in de spiegel zie ik mezelf, zoals de anderen mij zien, maar hier op deze stoel zit ik, mijn lichaam dat niet naar dat feestje wil en dat nu al weigert te dansen op de soul en funk die vanavond in de flat van mijn vriendin wellicht zal opklinken. Ik had het gisteren onder meer over echte mannen en machos. Daar moet ik aan toevoegen dat ik heel weinig over machismo weet. Lang geleden heb ik over het Mexicaanse machismo gelezen in ‘Het labyrint der eenzaamheid’ van Octavio Paz, maar daar herinner ik me zeer weinig van. Toen ik gisteren naar ‘Madigan’ van Don Siegel zat te kijken (met een zeer mannelijke Richard Widmark) moest ik opnieuw toegeven hoe vaak ik mezelf tegenspreek. Want ik besefte dat ik net zo goed sterke mannen bewonder, mannen als Madigan, die alles willen geven om hun eer te redden, zelfs hun eigen leven. Voor hen gaat er van vrouwen een sterke aantrekkingskracht uit, maar in de grond zijn zij – weliswaar mooie en verleidelijke – hindernissen, die de helden beletten om hun opdracht uit te voeren en hun tragische einde tegemoet te snellen. Of om als Odysseus weer naar huis terug te keren. But you can never go home anymore…

Foto: Martin Pulaski, 2005

SUE, WANDA EN DE WANHOOP

anna thomson,wanhoop,film,amos kollek,barbara loden,tammy wynette,john cassavetes,sue,wanda,a woman under the influence,george jones,gazon,de borsten van anna thomson
Anna Thomson, in ‘Sue’ van Amos Kollek.

Waarom houd ik van films over wanhopige vrouwen zoals ‘Wanda’ van Barbara Loden, ‘Sue’ van Amos Kollek of ‘A Woman Under the Influence’ en Opening Night van John Cassavetes? Ik weet het niet. Alvast niet omdat er naar kijken me ontspant, zoals een glas wijn of een kalmeerpil dat kan doen. Het is eerder nog een schepje bovenop de algemene wanhoop van het in de wereld zijn. Soms denk ik dat het om identificatie gaat: herkenning in een andere eenzame ziel, in een andere onbegrepen mislukkeling. Maar waarom dan een vrouw, een prostituée, een alcoholiste, een borderline geval? Ben ik dan geen echte man, en zelfs een beetje een macho (aldus mijn levensgezellin). Neen, ik ben geen echte man, al ben ik dan een beetje macho. Ik wil ook geen echte man zijn. Een echte man heeft een auto, liefst van al een sportwagen of een 4×4, een machine die power en geweld uitstraalt, de power en het geweld van de bestuurder. Ik bezit geen auto en heb ook geen rijbewijs. Dat is niet altijd gemakkelijk, maar ik ben er toch trots op. Ik bezit al evenmin en huis met een grote tuin en veel ‘gazon’. Een grasmaaier, of hoe heten die dingen, heb ik ook niet. Ik heb eens gelezen dat George Jones, toen hij zwaar aan de drank zat, op een keer met zijn grasmaaier naar de drankwinkel is gereden. Zijn vrouw, Tammy Wynette, had – precies om zulke escapades te verhinderen – hem de sleutels van zijn 27 auto’s afgepakt. Zulke waanzin spreekt me dan toch wel weer aan. Iemand die 27 auto’s bezit en een grasmaaier kan geen slechte mens zijn, zeker niet als hij ze gebruikt om alcohol in te slaan. Maar ik ben zeker ook geen echte vrouw, en ik heb ook nooit de neiging gehad om me als vrouw te verkleden of iets dergelijks. Wellicht schuilt er diep in mij een kwetsbaar meisje dat zich herkent in actrices als Anna Thomson, Barbara Loden en Gena Rowlands. De kwetsbaarheid, de onaangepastheid die deze dames op het scherm ten toon spreiden heeft misschien geen geslacht. Als ik hen zie acteren weet ik dat ik niet alleen ben, dat er nog andere mensen zijn zoals ik en dan vraag ik me af waarop ik wacht om hen te gaan zoeken. Zeer zeker zitten zij ergens, in een bar of in een trein, en verwachten zij mij.

 

RYOKAN : BILL VIOLA

RYOKAN

Ryokan, eind 18de eeuw: Ik zit stil te luisteren naar het vallen van de bladeren in mijn eenzame hut. Een leven vol ontzegging. De dingen worden niet langer herinnerd. Mijn mouw is nat van de tranen. Zeer sterk vind ik dat, net zo sterk als sommige werken van Bill Viola. Natuurlijk is zijn mouw nat van de tranen doordat de dingen niet langer herinnerd worden.

RITME VAN DE ZIEL

mali

Komen wij niet met z’n allen uit Afrika? Zit Afrika niet in ons genetisch systeem? Net als de Spanjaarden, de Italianen en alle Zuiderse volkeren worden ook wij om twee uur ’s middags moe en zouden we dan liefst van al een dutje doen, tot ongeveer vier uur. Maar doorgaans mag dat niet, vanwege de arbeidsethiek (die wij van de protestantse Angelsaksen hebben overgenomen) en de almachtige God die toekijkt (of alleszins toekeek toen die ethiek tot stand is gekomen).

Ja, wij zijn ‘primitieve’ mensen, die graag grooven op primitieve ritmes. Wat de katholieken de ziel hebben genoemd is gewoon dat orgaan dat gevoelig is voor die ‘primitieve’ ritmes, en melodieën. Noem het volksmuziek, etnische funk, shake, be bop of wat je maar wilt. Je krijgt warme rillingen en voelt trillingen – die vanuit de ziel opstijgen – als je het geluid van een accordeon hoort, of van een digeridoo, of van een viool. Dat primitieve komt tot leven in blues, flamenco, jazz, rock & roll, maar net zo goed in de muziek van Bartok en Liszt. Het is aanwezig in soul, disco, rock & roll en hip hop. Het zit in de jams van free jazz en in de raps die je al lang niet meer in de gore buurten hoort. Het zit zelfs in de schijnheiligste country & western en in de buitengewoon swingende Super Rail Band du Mali. Zet alsjeblieft die puur cerebrale westerse klankexperimenten niet op een altaarstuk. Er is niets mis mee, maar luister ook naar de muziek van de ziel, ’s nachts als de rede even in slaap ligt op de sofa. Luister naar het ritme en het lied. Goya zei dat de slaap van de rede monsters voortbrengt, maar misschien was hij alleen maar bang voor het donker, voor de nacht: dan verschijnt Dionysus en zijn wild dansend gevolg.

“Het woordenboek der muziek is er nog niet, er is zelfs geen begin mee gemaakt; alleen bij toeval worden de melodische figuren ontdekt die zeggen: ik ben kwaad, of ik houd van u, met hun nuances. De componist komt alleen op die melodische figuren wanneer zij hem worden ingegeven door de aanwezigheid van hartstocht in zijn eigen hart, of door zijn herinnering daaraan. Mensen die de beste jaren van hun jeugd gebruiken om te studeren in plaats van om te voelen kunnen geen kunstenaars zijn, niets is zo simpel als dat.”
Stendhal in ‘Over de liefde’