STEMMEN: ROOD EN GROEN

CONSTANT NIEUWENHUYS

Ik behoor tot die tachtig procent Brusselaars die zijn gaan stemmen. Het is mijn plicht om dat te doen en ik doe het met plezier. Er zijn heel wat landen waar je niet mag stemmen of waar de verkiezingen gemanipuleerd worden. Bovendien kom ik zo nog eens buiten, mooi meegenomen op zo’n heerlijke zomerse herfstdag.
Veel liever zou ik voor een écht stadsbestuur stemmen, met een échte burgemeester en échte schepenen. Ik voel mij een Brusselaar die in de wijk Anderlecht woont. Je zou het ook een district kunnen noemen. Elke wijk moet zijn eigen karakter, subcultuur en zo meer behouden, dat zal ik niet ontkennen. Maar de bestuurlijke indelingen die we nu kennen zijn achterhaald. Om een stad als Brussel, de hoofdstad van Vlaanderen, Wallonië, België en Europa [2], te besturen heb je eenheid nodig. Elke inwoner moet er dezelfde rechten en plichten hebben. De (spel)regels moeten voor elke inwoner van deze stad [2] gelijk zijn. Geen verschil inzake mobiliteit, onderwijs, wonen, sociale zaken, groenvoorzieningen en dergelijke meer.
Maar goed, ik leg me voorlopig bij deze bestuurlijke indeling neer en ga vooralsnog in Anderlecht stemmen.

Ik ben al heel mijn volwassen leven sociaaldemocraat. Ik heb altijd in een of andere vorm van socialisme geloofd. Toen ik nog weinig wist over het schrikbewind van Lenin en Stalin dweepte ik zelfs even met het communisme. Later had ik sympathie voor de Trotskisten. De Mao-verering heb ik altijd nogal lachwekkend gevonden. In onze ‘punkperiode’ hadden wij een poster van Mao aan de muur, maar wel met een wit strikje, the Stranglers met hun ‘No More Heroes’ indachtig. Elio Di Rupo heeft dat van ons afgekeken.

Ik hecht veel belang aan taal, aan woorden. Zolang Agalev Agalev heette heb ik er niet voor gestemd. Ik vond de naam afschuwelijk. Groen met een uitroepteken was al wat beter, maar ook daar had ik nog mijn bedenkingen bij. Ik ben allergisch voor uitroeptekens! Nu heet de partij gewoon Groen, en hier bij ons Ecolo-Groen, zoals het hoort. Een groene partij moet Groen heten, vind ik. Sindsdien gaat mijn sympathie uit naar de groene partij. (Ik overdrijf een beetje. Natuurlijk sta ik al langer achter een partij die werkt aan meer verkeersveiligheid en een kwaliteitsvollere leefomgeving en die echte burgerinspraak nastreeft.)

Om vorige zondag op een doordachte manier te kunnen gaan stemmen had ik mij naar behoren geïnformeerd over de partijstandpunten; ik kende de programma’s. Ik wist heel zeker dat ik voor één of meerdere vrouwen zou stemmen. Dat doe ik al tientallen jaren. Ik geloof dat vrouwen beter met macht kunnen omgaan dan mannen. Ze zijn ook veel beter tot mededogen in staat en denken meer aan de toekomst. Vrouwen zijn volwassen mensen, mannen blijven altijd een beetje kinderen, waar op zich niets mis mee is, maar kinderen kunnen niet zo goed aan politiek doen.
Tot zondagochtend had ik mij voorgenomen om hier in Anderlecht voor Groen te stemmen. Hoewel ik sympathiseer met PTB-PVDA had ik die partij al uitgesloten, om historische redenen, maar ook omdat ik geen arbeider ben. Ik zou het onoprecht vinden om vanuit mijn positie voor een arbeiderspartij te stemmen. Maar ik hoopte wel dat deze partij veel stemmen zou krijgen van de mensen voor wie zij zich voornamelijk inzet. Het programma van de PS-SPA had ik met instemming doorgenomen, en er waren enkele vrouwen bij die ik waardeerde.
(Voor ik het vergeet: ik stem hier zo veel mogelijk voor Nederlandstalige politici. Niet omdat ik iets tegen anderstaligen heb, maar omdat de Nederlandstaligen een kleine minderheid vormen. Het is goed dat die in het politieke landschap aan bod blijft komen.)
Ik had echter mijn twijfels over de integriteit van de socialistische partij, vooral vanwege de schandalen, in het bijzonder de Samusocial-affaire. Al wist ik dat de toestand verbeterd is sinds Yvan Mayeur als burgemeester van Brussel-stad is moeten opstappen. De parasieten zijn trouwens nooit in de meerderheid geweest en zijn dat nu al helemaal niet meer. Maar er is nog veel werk. Alles moet nog veel transparanter worden. En dat niet alleen bij de sociaaldemocraten.
Zondagochtend keek ik nog eens goed naar de folders van de twee favoriete partijen. Opeens viel mij op dat op de groepsfoto van de groenen maar één niet-blanke kandidaat te zien was. En ze zagen er allemaal toch zo keurig uit. Zo helemaal door en door vertegenwoordigers van de blanke middenklasse. Dat kon toch niet? In een wijk als Anderlecht, waar een groot deel van de bevolking niet wit is en al evenmin tot de middenklasse behoort. Hoewel ik al gekozen had voor wie ik zou gaan stemmen, bedacht ik me. Net voor ik de deur uitging nam ik nog even de folder van de PS-SPA door. Daar was de verhouding wel juist. Zo is het gekomen dat ik voor twee sociaaldemocratische vrouwen heb gestemd. Zal ik ze noemen? Waarom ook niet? Ik hoop dat jullie de kans krijgen om goede dingen te doen, Elke Roex en Bieke Comer.

Achteraf beschouwd is het ook niet zo erg dat ik noch voor PTB-PVDA noch voor Groen heb gestemd. Ze gaan er met reuzenschreden op vooruit. Mijn stem hebben ze daarvoor niet nodig. Sinds maandagochtend ben ik op politiek vlak een gelukkig mens. Nu de rest nog.

10035703896_145c8a2f92_o

10035648914_19860acb27_o

[1] Is het niet bizar dat Brussel in Vlaanderen maar zelden enige aandacht krijgt. Hoe komt het dat de Vlaamse media hun eigen hoofdstad de rug toekeren? Tenzij er een aanslag gebeurt of als er uit de rest van het land ontevreden burgers komen betogen? In Duitsland, toch ook een federale staat, is het ondenkbaar dat Berlijn doodgezwegen zou worden.

[2] En van een land en van de hele wereld.

Foto’s: Constant Nieuwenhuys, Symbolische voorstelling van New Babylon, 1969; Martin Pulaski, Anderlecht, 2013

ARMOEDE EN DE RELIGIE VAN BOEKEN

400 coups

Veerle Bekkers, een trol met vele onzichtbare gezichten, schrijft me dat ik rijkdom niet belangrijk vind. Dat ik één keer minder op reis moet gaan en met het op die manier gespaarde geld een mens in armoede moet helpen. In mijn grote kamer waar nu alleen maar boeken staan voor mij alleen, schrijft ze, moet ik een dakloze te slapen leggen. Dat is toch mijn boodschap, voegt ze eraan toe.

Mijn pleidooi in het manifest waar ze commentaar op geeft, was er echter een voor broederschap, voor de wereld intrekken, letterlijk of figuurlijk, voor openheid. Opnieuw leren zien, horen, voelen. Een pleidooi dat impliciet ook te lezen valt in Rilkes Aantekeningen van Malte Laurids Brigge. Ik schreef dat ik verlangde naar het neerhalen van muren en het openen van grenzen. Een muur is veel meer dan een stenen muur waar je niet door kunt; een grens is veel meer dan die tussen twee landen. Een grote kamer vol boeken is veel meer dan een grote kamer vol boeken, het is een droom, een toekomst opgebouwd uit woorden en zinnen, een nachtmerrie, een gevangenis, een zachte machine, een erotisch ballet, een taxi naar Timboektoe, een raket naar de maan en naar Venus.

Mijn pleidooi was er een voor gelijke rechten voor iedereen en overal. Ik voelde een sterk verlangen naar geluk voor alle mensen, overal. Voor me zag ik een visioen van vrede op aarde voor iedereen, mensen, dieren en planten. Ik betreurde de mogelijke ondergang van onze mooie wereld. Wat betekenen al onze bezittingen, onze rijkdom, ons aangenaam tijdverdrijven als daarbuiten – en binnenin onszelf – alles verwoest wordt? Ik schreef dat de meeste dingen die je thuis welvarend hebt vergaard niets voorstellen in vergelijking met een nacht van liefde onder heldere sterren.

Ik wilde helemaal geen autobiografische tekst schrijven en zeker geen rechtvaardiging voor wat ik doe en laat. Mevrouw Bekkers heeft mij er vroeger, onder andere namen, al van beschuldigd dat ik alleen maar over mezelf schrijf. Dat ik een narcist ben.
Nu zie ik mij genoodzaakt om toch enkele dingen te verklaren. Ik ben een groot deel van mijn leven arm geweest. Als je weet dat ik een schipperskind ben weet je eigenlijk al genoeg. Je moet heel hard vechten om aan die wereld te kunnen ontsnappen. Als je daar al zin in hebt. Als je zoals ik als kleine jongen de lokroep van het andere, in mijn geval van kunst en cultuur, hoort. De nieuwe wereld waar je in terechtkomt, die van kunst en cultuur, van o zo verfijnde mensen, is veel harder dan de oude, in mijn geval die van de binnenschippers. Je wordt er niet meteen toegelaten, wees daar maar zeker van. Talloos zijn de hindernissen op je levensweg, manieren om je uit te sluiten die de bourgeoisie sinds 1789 heeft bedacht. Schoenmaker blijf bij je leest, de appel valt niet ver van de boom, je weet wel. Ik ben vaak gevallen, af en toe weer opgestaan. Terug naar Reims, het boek van Didier Eribon dat nu zo in de belangstelling staat, vertelt veel over het parcours dat ik heb afgelegd. Over de uitsluiting, en over het triomfantelijk gevoel als de schone zielen je uiteindelijk aanvaarden. Eigenlijk heb ik dat triomfantelijk gevoel nooit gehad. Op zijn minst was het altijd gemengd. Ik heb me meestal vervreemd gevoeld van zowel de oude wereld, die van mijn ouders en van mijn broer, als van de nieuwe wereld, die van de stedelijke cultuur. Alleen als een dronken outlaw in bars en clubs voelde ik me met mezelf samenvallen.
Wat me sterkt heeft gemaakt – en gehouden – zijn boeken. Met boeken, met woorden van schrijvers en dichters heb ik rondom mij een wereld opgebouwd. Zij gaven uitleg bij wat mij in verwarring bracht, zij hielpen mij teleurstellingen en ontgoochelingen te verwerken en te boven te komen. Zij spraken me moed in, gaven me troost. Liefde voor boeken is een religie. Je kunt dat heel mooi zien in Les 400 coups van François Truffaut, als de jonge Antoine Doinel een altaartje bouwt voor zijn geliefde schrijver, Honoré de Balzac als ik me niet vergis. De boeken die mevrouw Bekkers zo verwenst zijn inderdaad ook materiële voorwerpen, maar tegelijk zijn ze immaterieel. In mijn ogen zijn ze heilig, een woord dat ik niet gauw gebruik, ik ben geen Allen Ginsberg. Samen met mijn muziekverzameling zijn de boeken mijn kerk. Ze zijn een onmisbaar deel van mijn existentie. Zonder boeken ga ik ten onder. Ik herken mij in veel van de dichters en schrijvers die zich hier rond mij verzameld hebben. Het is echter niet waar dat ik me er met huid en haar, op narcistische wijze, in terugvind. Ik zie mezelf avonturen beleven met Don Quichot, met Julien Sorel, met Geoffrey Firmin, Humbert Humbert, met de dubbelgangers van Borges. Als ik lees word ik een personage, een verzinsel. In boeken en hun verhalen, in de woorden en beelden van mooie gedichten, wis ik mezelf uit. Ik verdwijn uit mezelf zoals ik die ene keer toen ik opium gerookt had uit mezelf verdween. Met dit verschil dat ik van een roman of verhaal of gedicht nooit ziek geworden ben.

Het is absurd om mij ervan te beschuldigen dat ik hier in deze kamer waar mijn boeken staan geen dakloze te slapen leg. Ik ben oud en moe en al te vaak ziek. Lopen valt mij moeilijker met de dag. Ik ga mensen uit de weg omdat mijn geheugen erop achteruit gaat. Ik leef van een klein pensioen omdat ik geen volledige loopbaan heb. Ook dat is een gevolg van uitsluiting en de faalangst die daarmee samenhangt. Faalangst, existentiële onzekerheid. Ik lijd aan angst- en paniekaanvallen. Tegelijk houd ik van mensen, ben ik heel graag in hun omgeving. Ik kan niet zonder mijn vrienden. Ik kan niet leven zonder vriendschap. Ik ben gek op steden, wandelingen, ontmoetingen. Ik voel me leeg zonder de input van tentoonstellingen, concerten, films. Dat is de emotionele kant van het verhaal.

Hoe zit het met de rationele kant? Hoe zit het met armoede? Zijn wij als individuen verantwoordelijk voor onze armen? Zijn wij geen gemeenschap, hebben wij geen sociale zekerheid, hebben wij geen politici verkozen? Zijn er geen instellingen om armoede en andere maatschappelijke problemen aan te pakken? Willen wij niet zoals iedereen bijdragen aan het verbeteren van die instellingen? Willen wij als gemeenschap geen humane aanpak van de armoede en van de vluchtelingen in het Maximiliaanpark en elders?
Al heel lang, sinds ik Marx heb gelezen, ben ik tegen liefdadigheid. Liefdadigheid bestendigt armoede. Het is ook weer een vorm van uitsluiting en onderdrukking. Als er armoede is moet de samenleving veranderen, moeten de structuren veranderen. Dat kunnen wij niet als individu, als enkeling, als eenzame en toch empathische ziel. Niemand heeft het recht ons ervan te beschuldigen dat wij niet aan liefdadigheid doen.
(Overigens weet niemand of ik me wel zo streng aan die principes houd. Niemand weet of ik stiekem toch niet een beetje aan liefdadigheid doe. Je krijgt zoveel verzoeken voor dit of dat, dat je hart wel van steen moet zijn om niet af en toe gehoor te geven aan al die jammerklachten. Toch blijf ik ervan overtuigd dat een instelling als Artsen zonder grenzen, of welke andere vergelijkbare organisatie dan ook, de volledige financiële steun van de overheid zou moeten krijgen. Daarvoor dient ons belastinggeld. Mijn geld hoeft niet zo nodig naar de verstikkende ring rond Brussel te gaan. Maar daar beschuldigt me vooralsnog niemand van: dat ik via die belastingen mijn steentje bijdraag aan allerlei werken die de lucht verpestende auto’s de toegang tot deze stad vergemakkelijken.)

Maar wat voor zin hebben deze woorden nog? Iemand als mevrouw Bekkers wil alleen maar beschuldigen en beschadigen. Ik ben ermee gestopt me af te vragen waarom sommige mensen ervoor kiezen zo door de wereld te gaan. Ze moeten het zelf maar weten. Er is altijd een andere, een betere wereld.

Fahrenheit-451-don quichot

Afbeeldingen: Les 400 coups, François Truffaut; Fahrenheit 451, François Truffaut.

VAN DE WREEDHEID EN DE TROOST

puinvrouwen 1

Een van de weinige lezers van hoochiekoochie die af en toe nog commentaar geeft (het is ooit anders geweest) vond mijn beschouwingen van enkele dagen geleden over De roverbruidegom en Friedrich II wreed. Wat zeker het geval is. Waarom schrijf ik soms zulke naargeestige teksten? Het zou kunnen dat ik mezelf, en zo ook mijn lezers, gerust wil stellen. Dat de wrede wereld waar we nu in leven nog wel meevalt, dat de menselijke werkelijkheid vroeger veel erger, veel gruwelijker was.
Omdat ik zelf vond dat zoveel bloedvergieten in het echte leven (geschiedenis) en zoveel gruwelijks in een sprookje (verbeelding) nogal ver ging heb ik er op het einde het droomstukje in conversatievorm aan toegevoegd. Ik houd niet van horror in film en literatuur, al zijn er enkele uitzonderingen, waaronder The Shining van Stanley Kubrick en Sisters van Brian De Palma, en wil mij ook niet aan dat genre wagen. Maar bij het herlezen van mijn tekst vond ik de dialoog van de prins van Homburg en zijn geliefde Natalie een beetje artificieel. Die hele droomscène was er met de haren bijgesleept. Heinrich von Kleist komt wel vaker op de proppen als ik hem niet echt nodig heb. Je zou hem een obsessie kunnen noemen. Nu is hij mijn kroniek binnengeslopen omdat ik net een Italiaanse filmversie van zijn geniaal stuk had gezien, Il principe di Homburg van Marco Bellocchio, waarin de romantische droomwereld van Kleist en zijn personages waarheidsgetrouw wordt geëvoceerd. Een paar dagen eerder had ik voor het eerst de heel bijzondere film Deutschland, bleiche Mutter van Helma Sanders-Brahms gezien. Het toeval wil dat deze enigszins miskende regisseuse debuteerde met een biografie van Heinrich von Kleist én zijn verhaal Das Erdbeben in Chili verfilmde. Dat had ik als Kleist-bewonderaar moeten weten, maar ik wist het niet. Ik vond het vooral een mooi toeval. Twee films gekocht in Berlijn, allebei met een Kleist-connectie. Terwijl ik dit jaar niet eens zijn graf aan de Wannsee ben gaan bezoeken.
Maar je laten leiden door het toeval is niet altijd wenselijk. Als je ziek bent laat je je toch ook niet door het toeval leiden om de juiste arts te vinden? Je zou een tekst als een soort van ziekte kunnen beschouwen. Die heeft de juiste geneeswijze nodig, in dit geval is dat het einde. Er moet over nagedacht worden, gewikt en gewogen, gekozen.

homburg 3

Het einde behoorde de bomen van het volkspark in Friedrichshain toe. De meeste bomen daar zijn recent, de overgrote meerderheid werd tijdens de tweede wereldoorlog verwoest. Wat overbleef werd opgestookt tijdens de barkoude winters na de oorlog. Hetzelfde lot ondergingen de bomen van Tiergarten en andere Berlijnse parken en bossen. De dappere Trümmerfrauen [1] is het allang vergeven dat ze niet wilden doodvriezen. Ze stonden voor ongeveer alles alleen, hun mannen waren gedood aan het front of in krijgsgevangenschap afgevoerd.
De torens en bunkers die zich in het park bevonden werden opgeblazen, de gaten met puin gevuld en met aarde toegedekt. Het zijn nu heuvels, geschiedenisbergjes noem ik ze. Om eerlijk te zijn lijken de bomen helemaal niet op die van het bos dat ik me bij De Roverbruidegom voorstel. Maar zoals zoveel in Berlijn groeien ze op bloed doordrenkte grond. Als ik de geschiedenis laat rusten herinneren de heuvels mij vooral aan wat in de Maasvallei ‘de kip’ werd genoemd, de heuvels aan weerszijden van de Zuid-Willemsvaart, waar ik als kind zo vaak heb gespeeld en gedroomd. Ik was een romanticus lang voor ik wist wat dat woord betekende. Hele zomerdagen zat ik daar in de bomen met mijn pennenmes figuren te snijden uit boomschors en boeken van Alexandre Dumas en Victor Hugo te lezen. Zo reis ik in mijn gedachten van een eerder gruwelijke omgeving naar het pastorale landschap van mijn kinderjaren en vind ik tegelijk troost voor de verschrikkingen van deze tijd.

monte cristo dumas

[1] De puinruimsters worden ook getoond in Deutschland, bleiche Mutter. Helma Sanders-Brahms gebruikte voor haar film échte actualiteitsbeelden.

Afbeeldingen: Trümmerfrauen (puinruimsters); Il principe di Homburg van Marco Bellocchio; De graaf van Monte Cristo van Alexandre Dumas, een kopie van de uitgave die ik in een boom in Neerharen las.

DE ROVERBRUIDEGOM

deutschland bleiche mutter 5

Met onze broodjes terug naar het park op zoek naar een bank. Veel schoolkinderen en joggers, stedelingen op zoek naar frisse lucht, want ook Berlijn heeft te kampen met fijn stof en andere luchtvervuiling. We lopen door een heuvelachtig stuk van het park dat bijna op een bos lijkt. Een beetje op dat van De roverbruidegom. Na een korte afdaling vinden we eindelijk een plek waar we rustig onze broodjes kunnen opeten.
Recht voor me zie ik het standbeeld van Friedrich II. Geen sprookjesschrijver, die man. Hoewel bijvoorbeeld De roverbruidegom toch heel wreed is. Ja, ik heb het niet kunnen laten. Ik heb toch wat over die sprookjes van Jacob en Wilhelm Grimm opgezocht op mijn smartphone… Een van hun sprookjes, De roverbruidegom, heb ik zelfs helemaal gelezen. De roverbruidegom en zijn trawanten komen een huis midden in een donker bos binnen, alwaar de bruid zich verscholen heeft. Hun plan is de bruid op te eten, het water staat al te koken. Maar ze hebben een ander jong meisje meegebracht, het voorgerecht. “Ze lieten haar wijn drinken: drie glazen vol, een glas witte wijn, een glas rode wijn en een glas gele wijn, en daarvan brak haar hart. Toen rukten ze haar de mooie kleren af, legden haar op een tafel, hakten haar mooie lichaam aan stukken en strooiden er zout over.” [1]
Omdat ik toch al over de sprookjes van Grimm had zitten lezen heb ik Friedrich II ook maar eens opgezocht. Ergens in mijn achterhoofd zat de idee dat hij een verlichte vorst was, bevriend met Voltaire en Casanova en andere ‘grote mannen’. Het is heel goed mogelijk dat hij een verlichte heerser was, maar hij was net zo goed een bloeddorstige tiran.
Het verhaal van Friedrich II begint voortreffelijk. Als kind van soldatenkoning Friedrich Wilhelm I wilde hij niet met tinnen soldaatjes spelen maar liever met zijn zuster. In de barkoude Pruisische winters mocht de jonge Friedrich geen handschoenen dragen. Al gauw had hij genoeg van dat leven en vooral van de tirannie van zijn vader en probeerde naar Engeland te vluchten. Daarbij werd hij geholpen door zijn adjudant, Hans Hermann von Katte. De vluchtpoging mislukte. De achttienjarige Friedrich moest van zijn vader toekijken hoe zijn vriend von Katte voor zijn ogen onthoofd werd. Het lijk van de adjudant moest voor het raam van de jonge Friedrich blijven liggen. Roept deze scène geen herinneringen op aan Griekse tragedies, meer bepaald aan Antigone? En aan sommige toneelstukken van Heinrich von Kleist? Eenmaal koning nam Friedrich een aantal toe te juichen beslissingen: hij stelde godsdienstvrijheid in en schafte ondervraging met foltering af. Maar hij voerde ook oorlog met Frankrijk, Rusland en Oostenrijk. De Zevenjarige Oorlog kennen we nog uit de geschiedenisles. Na de slag bij Kunersdorf (nu Kunowice in Polen) op 12 augustus 1759 bleven er van zijn leger van 50.000 soldaten nog 3.000 over. De lange oorlog putte Pruisen volkomen uit. Op het einde ervan had een half miljoen soldaten en burgers, ongeveer tien procent van de bevolking, het leven verloren.
De lectuur van deze geschiedenis had mij in een droomtoestand gebracht. Was ik nu wel wakker? Waren deze bomen echt? Wie had mijn broodje opgegeten?
Hoe zit het, Arthur, ben je er nog, vroeg de vrouw die naast me op de bank zat.
Hoezo, vroeg ik. Wie ben jij?
Herken je me niet, ik ben toch Natalie, zei ze.
Natalie, de prinses van Oranien, vroeg ik. Maar je lijkt ook wel wat op Jeanne Moreau. En waarom noem je mij Arthur?
Ik houd niet zo van je andere voornaam, zei Natalie.
Nu begrijp ik het, zei ik, ik ben Friedrich Arthur von Homburg.
Eindelijk word je wakker uit je droom, zei Natalie. Zullen we eens de stad ingaan? Misschien is de rij bij ‘Wanderlust’ vandaag wat minder lang.
Laten we het hopen, zei ik.
Toen ik van de bank opstond was ik weer een gewone sterveling, een man met de vreemde naam Martin Pulaski. We liepen naar tram 4 die ons naar de Hackesche Markt zou brengen. Van daar was het nog een tiental minuten lopen tot aan de Alte Nationalgalerie. Ik was nu helemaal wakker. De gebroeders Grimm had ik weer diep in mijn onbewuste weggeduwd, waar ze thuishoorden. Friedrich II mocht hen daar gezelschap houden.

[Dit was het tweede deel van mijn avonturen in Volkspark Friedrichshain in Berlijn.]

 

[1] Weer thuis in Brussel zag ik de film ‘Deutschland, bleiche Mutter’, die ik in Berlijn bij Dussmann had gekocht. In dit verhaal over een moeder en haar dochtertje in Duitsland tijdens de tweede wereldoorlog vertelt de moeder dit sprookje als ze door een verlaten huis dolen. Duitsland is dan al grotendeels verwoest. De vader is afwezig, want aan het front.
Waarom is de regisseuse van dit meesterwerk, Helma Sanders-Brahms, veel minder beroemd dan haar tijdgenoten Werner Herzog, Rainer Werner Fassbinder en Wim Wenders?

Foto: Deutschland, bleiche Mutter, Helma Sanders-Brahms, 1980.

ZERO DE CONDUITE: UNDERGROUND!

king&queen (3)

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Een muzikaal evenement van ongeëvenaarde kwaliteit! Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

the-rock-machine-turns-you-on

Vanavond draaien we underground [1]. Muziek die behoorde tot de tegencultuur, tot het kleine stukje van mijn generatie waar ik deel van uitmaakte. Van dat kleine stukje of groepje, bedoel ik, dat zich afzette tegen de moraal, politiek, mode en kunst van zijn tijd, de jaren vijftig en zestig. Wanneer precies die underground tot stand kwam valt moeilijk te zeggen. Ik denk dat de stad San Francisco met zijn beat generation een belangrijke rol speelde, maar ook swinging Londen, het Parijs van de bohémiens en surrealisten, en de provo’s in Amsterdam. Wie er meer over wil weten van iemand die die opwindende periode niet zelf meemaakte maar er toch met veel kennis van zaken en veel empathie over schrijft raad ik het schitterende boek ‘De jaren zestig’ van Geert Buelens aan.
Voor mij is deze aflevering van Zéro de conduite vooral een emotionele aangelegenheid, een reis terug in de tijd en de ruimte. Een reis terug naar Tongeren, naar mijn vrienden Jan De Pooter, Henry Janssen, Guy Bleus en Luc Verjans. Daar waar het voor mij allemaal begon. En naar Maastricht waar ik de platen en de wierook kocht. En naar Neerharen waar ik veel van deze undergroundmuziek beluisterde en waar ik droomde van een mooie toekomst – een droom waar vandaag alleen maar vlijmscherpe scherven van overblijven. Het lijkt erop dat de dromen die we toen koesterden naïef en kortzichtig waren. Dat er niets van verwezenlijkt is. Maar niets is wat het lijkt. Ook deze sombere, walgelijke tijd gaat voorbij en er komen betere dagen. Veel van het goede dat er nu nog overblijft is in de periode die ik die van de underground noem ontstaan. Met die grondstof kan vandaag ook nog een betere toekomst worden opgebouwd.
De muziek van de vroegere betere dagen, die van de jaren zestig, zit nog altijd vol leven en belofte.

Opgedragen aan Joop Roelofs en Marty Balin.

Veel luisterplezier.

jefferson_airplane

Break On Through (To The Other Side) [Live] – The Doors – Essential Rarities – Jim Morrison, Robert Krieger, John Densmore, Raymond Manzarek – 4:44
Trouble Every Day – Frank Zappa & The Mothers Of Invention – Freak Out! – Frank Zappa – 5:50
Hard Coming Love – The United States Of America – The United States Of America – Dorothy Moskowitz, Joseph Byrd – 4:41
Dropout Boogie – Captain Beefheart & The Magic Band – Safe As Milk – Don Van Vliet, Herb Bermann – 2:32
Save Yourself – Soft Machine – The Soft Machine: Volume One – Robert Wyatt – 2:25
Eyes of Amber – Buffy Sainte-Marie – It’s My Way! – Buffy Saint-Marie – 2:18
Fly High – Bridget St John – Thank You For… – L. Stevenson, Bridget St John – 3:23
I Couldn’t Get High – The Fugs – The Fugs First Album – Ken Weaver – 2:08
Mountain Song – Insect Trust – The Insect Trust – The Insect Trust – 2:57
Summer Thoughts In A Field Of Weed – Q’65 – Revolution – Wim Bieler, Frank Nuyens, Jay Baar – 2:25
Zsarrahh – The Outsiders – C.Q. – Outsiders- 3:28
Down Is Up – Moondog – Moondog 2 – Moondog – 1:10
Why? (The King Of Love Is Dead) – Nina Simone – Nuff Said – Eugene Taylor – 5:45
Never Too Far – Gandalf – Gandalf – Tim Hardin – 1:56
Goin’ Down Slow – Electric Flag – Old Glory: The Best of Electric Flag – James B. Oden – 4:47
The Red Wind – Tucker Zimmerman – Ten Songs By Tucker Zimmerman – Tucker Zimmerman – 3:35
Vegetable Man – Pink Floyd – The Early Years 1965-1967: Cambridge St/ation – Syd Barrett – 2:32
Balloon Burning – The Pretty Things – S. F. Sorrow – May, Taylor, Waller, Povey – 3:50
Dawn of Majic – Twink – Think Pink – Twink – 1:45
Dino’s Song – Quicksilver Messenger Service – Quicksilver Messenger Service – Dino Valenti – 3:10
Section 43 – Country Joe & The Fish – Electric Music For The Mind And Body – Country Joe McDonald – 7:28
Cosmic Charlie – Grateful Dead – Aoxomoxoa – Jerry Garcia & Robert Hunter – 5:44
Corrina, Corrina – Rising Sons – Rising Sons – Traditional – 2:58
Sitting By The Window – Moby Grape – Moby Grape – P.S. Lewis – 2:48
I Need A Man To Love – Big Brother & The Holding Company – Cheap Thrills – J. Joplin, S. Andrew – 4:55
Comin’ Back To Me – Jefferson Airplane – Surrealistic Pillow – Marty Balin – 5:23
Cripple Creek – Skip Spence – Oar – Skip Spence – 2:16
Sisters Of Mercy – Leonard Cohen – Songs Of Leonard Cohen – Leonard Cohen – 3:37

country joe

Bonus Tracks

Soapstone Mountain – It’s A Beautiful Day – Marrying Maiden – David Laflamme – 4:17
Gave My Love An Apple – Dr. Strangely Strange – Heavy Petting – Tim Booth – 6:08
Face Behind The Sun – The Plastic Cloud – The Plastic Cloud – The Plastic Cloud – 4:51
Mountain In The Clouds – Miroslav Vitouš – Infinite Search – Miroslav Vitouš – 1:52
Folk Tale – Ornette Coleman Quartet – This Is Our Music – Ornette Coleman – 4:45
Sun Watcher – Albert Ayler – New Grass – Albert Ayler – 7:30
Miss Free Spirit – Herbie Mann – Stone Flute – Herbie Mann – 12:41

Research & presentatie: Martin Pulaski.
Techniek: Sofie Sap

Uschi-Nerke-rotes-Kleid

Foto’s: In King & Queen in Tongeren (het meisje van King & Queen, Luc Verjans, Martin Pulaski, Jan De Pooter); The Rock Machine Turns You On; Jefferson Airplane; Electric Music For the Mind and the Body; Urschi Nerke, presentatrice van Beat-Club.

[1] The term “underground music” has been applied to various artistic movements, for instance the psychedelic music movement of the mid-1960s, but the term has in more recent decades come to be defined by any musicians who tend to avoid the trappings of the mainstream commercial music industry otherwise it tells only truth through the music. Frank Zappa attempted to define “underground” by noting that the “mainstream comes to you, but you have to go to the underground.” In the 1960s, the term “underground” was associated with the hippie counterculture of young people who had dropped out of college and their middle class life to live in an off-the-grid commune of free love and cannabis.

[2] Enige uitleg bij de hoes van The Rock Machine Turns You On (1968): “The Rock Machine Turns You On influenced a generation of music fans. At the time, what was then called “underground music” was starting to achieve some commercial success in Europe, bolstered by new radio and TV programmes such as John Peel’s “Top Gear”. CBS competed actively for this new market against other “progressive” labels such as Elektra, Island, Immediate, and the EMI subsidiary Harvest, who followed with similar samplers of their acts. Although some of the featured artists were already stars, others such as Leonard Cohen and Spirit were only starting to become known in Europe, and the album made a major contribution to their success.”
Uiteraard speelde voor ons niet alleen Top Gear een rol, maar zeker ook tv-programma’s als Beat-Club, Vibrato, het radioprogramma Superclean Dream Machine, de tijdschriften Teenbeat, Hitweek en Aloha, en zo meer.

IN VOLKSPARK FRIEDRICHSHAIN IN BERLIJN [1]

dav

In september logeerde ik [1] in Berlijn in een hotel met uitzicht op het Volkspark Friedrichshain, het oudste gemeenschappelijke parkgebied van Berlijn. Mooi is het park niet. Het is geen Jardin du Luxembourg of Hyde Park; het is tenslotte een volkspark. Maar er is veel te zien, vooral veel geschiedenis (die je niet meteen opvalt). Het mooiste stuk van het park heet Märchenbrunnen, een bronnen- en tuinencomplex dat in het teken staat van de gebroeders Grimm, met een dozijn of zo personages uit de wonderlijke sprookjes van Grimm, vooral meisjes. Die beelden geven je meteen zin om de sprookjes te herlezen. Het verfrissende geluid van de fontein brengt je vanzelf al in een sprookjesachtige sfeer (maar niet in de grimmige en gruwelijke sfeer van heel wat van die sprookjes). Je wilt de sprookjes herlezen om hun betoverde wereld die de tijd heeft vervaagd weer nieuw leven in te blazen. Wie was toch ook weer Repelsteeltje, was Tafeltje dek je een sprookje van Grimm, hoe heetten de zeven dwergen? Je zou het terwijl je daar wat op adem zit te komen van de voorbije, overweldigende dagen in Berlijn op je smartphone kunnen opzoeken, maar dat doe je niet, dan is de magie weg. Je wacht liever tot je weer thuis bent.
Terwijl ik me die sprookjes trachtte te herinneren zat mijn eigen Roodkapje de hele tijd te lezen in een roman van Philip Roth. Ik heb een beetje honger, zei ik. Zullen we op de hoek van de Greifswalder Strasse weer broodjes met geitenkaas kopen met Bionade erbij om ze door te spoelen, stelde ze voor. Heel goed Roodkapje, zei ik. En dan kunnen we ze hier in het park komen opeten. Waarom heb je zo’n grote ogen, vroeg Roodkapje. Grote ogen, dat zal van de gedachte aan die broodjes zijn, zei ik. Kom, laten we gaan.

sdr

sdr

[1] Hoewel deze kroniek meestal in de ik-vorm wordt verteld ben ik zelden alleen. Soms eenzaam, maar zelden alleen.

Foto’s, Martin Pulaski, september 2018

EEN FRAGMENT UIT ULYSSES VAN ALFRED TENNYSON

alfred-tennyson-

Lezend in Een Odyssee van Daniel Mendelsohn werd ik herinnerd aan deze regels uit het beroemde gedicht Ulysses van Alfred Tennyson:

(…) Come, my friends,
‘T is not too late to seek a newer world.
Push off, and sitting well in order smite
The sounding furrows; for my purpose holds
To sail beyond the sunset, and the baths
Of all the western stars, until I die.
It may be that the gulfs will wash us down:
It may be we shall touch the Happy Isles,
And see the great Achilles, whom we knew.
Tho’ much is taken, much abides; and tho’
We are not now that strength which in old days
Moved earth and heaven, that which we are, we are;
One equal temper of heroic hearts,
Made weak by time and fate, but strong in will
To strive, to seek, to find, and not to yield.

Je blijft alleen maar écht leven als je niet zwicht, als je niet berust maar blijft zoeken, als je keer op keer vertrekt naar elders en zo lang mogelijk onderweg blijft. Als je je nestelt in je behaaglijke, vertrouwde omgeving word je een sufferd en is het figuurlijke en zelfs letterlijke einde nabij. Kom vrienden, het is niet te laat om nog een nieuwe wereld te vinden!